de Beschuitstoren en het slavernijverleden


Unesco-monument bij de zoutpannen van Jan Kok.
Wormer kende een tijd van grote bloei in 16e en 17e eeuw door de scheepsbeschuitbakkerij die toentertijd in dit dorp was gevestigd.
Ruim 130 beschuitbakkers zorgden voor de bevoorrading van de vele schepen van de VOC en de walvisvaart vanuit Jisp en concurrent Amsterdam.
Er werd gebakken voor zowel Nederlandse als buitenlandse markten, en ook voor de Oost- en West-Indische Compagnieën.
De Wormerse Tweeback was zeer vermaard.

In 2018 is een nieuwe beschuittoren gebouwd in het dorp, als herdenking aan de tijden van bloei van Wormer.

In het onderzoeksrapport "De betekenis van de Atlantische slavernij voor de Nederlandse economie in de tweede helft van de achttiende eeuw" stellen de auteurs Pepijn Brandon en Ulbe Bosma dat de hoogtepunten van de bloei lagen rond de jaren 1760 en 1780.

Na het faillissement van de West-Indische Compagnie in 1791 werd Curaçao een echte Nederlandse kolonie.
In 1795 kwamen de slaven op Curaçao in opstand.
De opstand stond onder leiding van Tula, een slaaf die een centrale rol speelt in de geschiedenis van Curaçao, de opstand werd na een korte periode neergeslagen.
In 1800 werd Curaçao bezet door de Britten, die in 1803 door de plaatselijke bevolking werden verdreven. In 1807 veroverden de Britten het eiland opnieuw.
In 1816 kregen de Nederlanders Curaçao terug en viel Curaçao weer onder het Nederlands bestuur.

Jan Kok was één van de grootste slavenhandelaren van Curaçao.
Uit de zoutpannen werd vroeger zout gewonnen, vooral voor de export naar Nederland. De landhuizen Jan Kok en Rif Marie zijn gebouwd met de winst uit de zoutpannen, waarin voornamelijk door slaven gewerkt werd.