Mol over loterij

C. Mol in "Uit de geschiedenis van Wormer", blz. 129

Ongeveer twintig jaar later, in 1707, was de achterstand van de ordinaire verponding aan 's lands middelen al opgelopen tot ruim 20000,-. Uit een resolutie van de Staten van 11 juni van dat jaar blijkt namelijk dat inmiddels 150 huizen waren afgebroken, zodat het verzoek van burgemeesteren en vroedschappen "om een lotterije te houden ter somma van 50000,- tot vergoedinge van het so grote agterwesen van het dorp" werd ingewilligd.
Het was wel een eigenaardige manier om de dorpsregering door middel van een loterij uit de moeilijkheden te helpen en het is te betwijfelen of de dorpskas er baat bij heeft gehad. In ieder geval niet afdoende, want in 1715 kregen de Staten weer een request te behandelen. Ditmaal was het verzoek de belastingschroef steviger te mogen aandraaien, omdat men geen andere oplossing meer wist. De armenverzorging eiste veel geld, het weeshuis had grote tekorten, voor het onderhoud der sluizen waren de middelen ontoereikend en het werd steeds moeilijker het traktement van de schoolmeesters en de predikanten te betalen.