Mr. Cornelis Ploegh en de toren

Zaans Volksblad van 14 januari 1939

In een artikel over de ledezetters van Jisp komt ook het rijm op mr. Ploegh ter sprake.
Tot de rijmen, die aan den ledezetter mr. Cornells Jacobsz Ploegh zijn gewijd, behoort "een kluchtig kreupel-lied van de kreupelen, die tot Jisp onder handen zijn van de Ledezetter Mr. Cornelis hoe dat ze daaglijks moeten voorthompelen on haar kreupele Leden rad te treeden".
Rijm op mr. Cornelis Jacobsz. Ploegh
In de ondertitel wordt medegedeeld: "Men kan het zingen, voor een poos: op de wijs, wispelturige matroos".
Het kreupel-lied is te lang om het in zijn geheel over te nemen. Wij volstaan met enkele coupletten:
Maar Meester Krelis is een Man
Die Kreupels loopen leeren kan
Eens stuurde hij wat Kreupels uit
Na Wormer toe om wat Fnieskruid,
Voorby de Kerk te haalen, zonder draalen.

En doe wy kwamen in dat Huls,
Was daar veel kreupelig gespuis.
D'eene Kreupele kogt het goed, en strak
Stak d'andere Kreupel het in zyn zak.
En zonder om te kyken. gingen wy stryken.

Zo kwamen wy dan in 't end.
Wer in ons kreupelig Convent;
Elk klaagt dat hy is mo en mat.
D'een zeit, 't Zweet druipt van myn Gat.
Een ander roept om 't meeste, ik ben de heetste.

Des anderen Daags was 't weder aan.
Doen moesten de Kreupels wer aan 't gaan:
Ik moest na den Wormer Tooren,
En kyken daar eens van vooren.
Wat Cyffer dat 'er staat, er men daar van gaat.

De Meester bedogt toen wer wat,
Doen moeste w' om tot snoer een mat.
Ik moest na 't Wormer Westerend,
En tellen daar eens pertinent.
Hoe veel sporten daar leggen, op die Breggen (bruggen).

Des anderen Daags was 't wr een kruis,
Doen moesten w' na 't Wormer Weeshuis,
Daar gingen Kreupeltjes wer tren.
En Kreuplen voor ons gat wer heen.
Tot dat wy, zonder schroomen, daar nog komen.
't Is goeijen dag, kreupele Monsieur!
't Is kreupel agter en kreupel veur.
't Is kreupel 't eerste en 't leste begin,
't Is kreupel uit en kreupel in.
't Zyn Kreupels met elkander, d'een met d'ander.

Zo gaat de vlugge Tyd zyn gang
En valt ons, Kreupeltjes wel bang,
Maar 't einde het verzoeten zal.
Want Meester Krelis doel het al
Dat wy ons kreupele Leden, rad zou treden.

Als onze Meester wat onzagt
Een aanvat, d'ander Kreupel lacht:
Het doet de Kreuplen somtijds goed.
Al in zijn kreupelig gemoed.
Dat daar Kreupele by tyen. pyn moet leijen.

Maar 't meest is dat my treuren doet.
Dat ik zoo kreupelig rooken moet:
Als ik een kreupels Pyp Tabak.
Wil rooken op Kreupels gemak.
Zo vrees ik als de Plyster. voor de Myster.

Als de Meester een Kreuple vind.
Die 's Morgens daar vroeg rookt gezwind.
Roept d'eene Kreupel of den ar,
Dit is al wer een Blok, of daar
Moest een Stuiver Geld zijn, dat ontsteld myn.

En zo men dat niet willig geeft.
Dan komt een Kreupel voor die beeft,
Al met een Kreupels Blok daar aan,
Moet men kreupelig slepen gaan.
Wel 10 Kreupels tot een worp, langs 't Dorp.
Zo gaat dit Kreupelrijm dan verder en prijst tenslotte de grote kunde van mr. Cornelis, den befaamden ledezetter.

Het gehele gedicht staat vermeld in "Historische Oudheid- en Letterkundige Studin" van J. Honig Jz. Jr. (1866), blz. 62.