Een Pinksterfeest in Noord-Holland

Uit: "In vuur en stormwind", door W.N. Wolterink, uitgegeven in 1879 door J.P. Revers, Dordrecht

blz. 82 ... 182

OP EGGE'S HOEVE.
Waterland! Wie nog heden ten dage op aanschouwelijke wijze leeren wil wat onze vaderen bedoelden, toen zij hunne liefde voor de vrijheid lucht gaven in de leuze: liever verdronken land dan geen land! de genoemde landstreek kan hem daarin onderwijzen.
Hoezeer het karakter van het landschap ook veranderd zij, sinds het zulk een roemvol aandeel nam aan den vrijheidskamp van voor drie eeuwen, nog draagt het zijn naam met recht.
Als ongunstige winden de uitstrooming van het water tegenhouden en de plasregens gierend nederstorten uit de grauwe luchten, die zich vr en n den winter over Nederland plegen te welven, en bij niet vriezend weder soms weken achtereen getrouw blijven, als zelfs een zoogenaamde droge dag ons nog doet ademhalen in eene met vocht dusdanig overbezwangerde lucht, dat de mist in den vorm van waterdroppels kletterend nedervalt van de takken der knotwilgen, dan zijn ook nog heden weinige dagen voldoende, om niet alleen de smalle hoeven van het forsch en zwaar gebouwde rund, maar ook den plompen voet der melkers het betreden van dat land ondoenlijk te maken, en de stedeling, die het van den dijk aanblikt, vraagt twijfelend: is dat nu land of water?
De twijfel, die tot deze vraag aanleiding geven kan, zou alevel voor onze voorvaderen vaak voor vrij wat langer duur grond hebben kunnen vinden, toen de gebrekkige afvoer van overtollig water zooveel weken noodig had als thans dagen, om het te doen samensmelten met de zilte baren van IJ en Zuiderzee, daar eene menigte sinds drooggemaakte meren als binnenlandsche vergaderbakken dienden, waarin het even snel samenliep als het er langzaam uit verwijderd kon worden.
Hoewel tot Kennemerland gerekend, kon het aan Waterland grenzend ambacht de Wormer voor drie honderd jaren als sterk sprekende type van dusdanige, voor 't grootste deel des jaars als met water saamgesmoltene landstreek gelden.
Het dorp Wormer, tijdens den tijd van ons verhaal een vijftig jaar vroeger met Jisp tot n schoutampt vereenigd, strekte zich westelijk naar de Zaan en oostelijk tot aan het Wormermeer, in eene meestal rechte richting gebouwd, over eene zeer aanzienlijke lengte uit.
Jisp, noord-oostelijker gelegen, grensde in genoemde richting voor een goed deel aan de Beemster, en werd ten zuiden en zuid-westen insgelijks door golven, hier die van het Wormermeer, bespoeld. De driehoek evenwel, door deze beide meren en den Zaanstroom begrensd, is niet alleen hierdoor in eene ongelijk breede lijst gevat die op den helderen Meidag, waarop wij 's daags vr Pinksteren er onze blikken over weiden laten, in het zonlicht schittert als eene gepolijste vlakte. Ontelbare watergangen, kleinere meertjes, poelen en slooten, verdeelen dien driehoek op hunne beurt in eene menigte, thans even boven water uitstekende, eilandjes, van meerendeels geringen omvang, die, ook elk afzonderlijk, hunne groene oppervlakte als door banden van zilver omvat zien.
Achter eene boerenwoning op het westelijk einde van Wormer gelegen, ten noorden van den smallen tot weg dienenden dijk, die van het dorp naar de Zaan loopt, ligt een dezer eilandjes, rijkelijk met gras begroeid. Een breede en diepe watergang omgeeft het van alle kanten, terwijl smaller, maar weinig minder diepe slooten, het in gelijkmatige vierkanten verdeelen, soms door een smallen dam, nog vaker enkel door eene nog smaller plank, aan elkander verbonden. In het laatste geval evenwel ziet men meestal de door een paar staken schuins overeind gezette horden in de nabijheid, die, zoo dikwijls het voor de verweiding noodig is, met behulp van den vlonder en een paar slieten of sterke staken een overgang voor het vee helpen daarstellen.
Over den watergang, naar de zijde van de boerenwoning, op weinige roeden afstands onder aan den dijk liggende, dien de Wormeraars gewoon zijn het hooge pad te noemen, voert een brug, eenigszins breeder dan de dammen en horden, en saamgesteld uit ettelijke vastliggende balken, waarover deelen gelegd zijn, die 's winters weggenomen en in schuur of woning opgeborgen worden.
Eene stevig gebouwde deerne heeft voor enkele oogenblikken de aangrenzende huizinge verlaten, en staat thans, bij den overgang van het eerste stuk weiland naar het daar achter gelegene, stil. Schijnbaar aandachtig tuurt zij in het hier gedeeltelijk door wordend kroos overtogen en daardoor geelgroene, donzige watervlak.
Of zij mogelijk de eendjes bespiedde, die luisterende naar 't kwakend samenroepen der bezorgde moeder, zich schuw verschuilen gaan onder de slanke bladeren der sierlijk bloeiende waterlis?
Hetzij dan deze, hetzij de witte en gele bloemen der waterplompen, die door de neigende, avondzon gewenkt worden om zich te sluiten en zoo coquet op de breede wollig behaarde bladeren drijven, hetzij het uit de verte vernomen geschreeuw van kievit of grutoo hare aandacht trekt; de aandacht der deerne moet wel sterk gespannen zijn, dat zij zichtbaar verschrikt van den haar allesbehalve zacht naderenden knaap, maar niet voor hij haar uit dichte nabijheid en op vroolijk luiden toon toeroept: "Dag, Brecht!"
De jongeling, die Brecht aldus toespreekt, en haar blijkbaren schrik met een schaterenden lach beantwoordt, is een forsch ontwikkelde knaap van naar gissing 17 of 18 jaren.
Tot die gissing geeft alleen het uitzicht van zijn gelaat, maar in geen enkel opzicht de bouw van zijn lichaam recht.
Toch kon ook zelfs dat gelaat getuigen, dat Jan Gerritsz, hij mocht dan den mannelijken leeftijd nog niet bereikt hebben, toch reeds aan mannenwerk had medegeholpen.
Een diepe naad, die zijn hoog gewelfd voorhoofd in tween verdeelde en, zich naar boven onder zijne muts verliezende, benedenwaarts eerst, eindigde bij de ruige, blonde wenkbrauwen, die zijn schalke oogen overschaduwden, deed vermoeden, dat hij reeds deelgenomen had aan een der veelvuldige schermutselingen, waarvan Noord-Holland in de laatste maanden zoo dikwijls getuige was geweest.
Zoo was het inderdaad, en de Wormersche weesjongen had bij eene dergelijke gelegenheid, waarbij een zwaardslag van een Spaanschen hopman hem het litteeken had bezorgd, waarop hij fier was als op een ridderketen, zich gedragen op eene wijze, die hem zelfs eene bijzondere onderscheiding van Sonoy, den stadhouder van Oranje in Noord-Holland, had doen verwerven.
't Was geschied nu drie maanden geleden, in het laatst van februari des jaars 1574, toen de Spanjaarden zich van Wormer hadden meester gemaakt.
Terwijl de soldaten van den prins, de Wormersche mannen en te hulp toegeschoten vrijbuiters, in eene wilde vlucht hun leven trachtten te redden, alhoewel niet dan na dapper gestreden te hebben en toen de overwinning eene bepaalde onmogelijkheid was gebleken, had een Spaansch hopman met ettelijke soldaten eene kleine bende den weg weten af te snijden.
Tot dit hoopje behoorde ook Jan Gerritsz.
Onze Kennemers en Waterlanders lieten zich evenwel zoo gemakkelijk niet stuiten.
De roeren der Spanjolen mochten knetteren; eer zij ze andermaal konden laden werd meer dan n hunner door een verrejager als gespietst, en de door geen kogel getroffen Geuzen vielen met het blanke wapen den overmachtigen vijand, op den smallen dijk, met verwoedheid aan.
De glinsterende bijlen kloofden de ijzeren hoeden der Spaansche soldeniers als waren zij uit blik vervaardigd, en het Oranje boven! schreeuwend, sprongen de vluchtenden over de vallende geharnasten henen, met de vlugheid die voor het verkeer op het water zoo noodig is.
Het aantal der vijanden smolt, en de door andere bespringers op de hielen gevolgde Geuzen vluchtten bij het deinzen van den eenen vijand voor de onstuimige vervolging van den ander verder, woest inhouwende en stekende naar een ieder, die zich nog onttrok aan het bereik van hunne onvermoeide armen.
Daar werpt de Spaansche hopman zich nogmaals in hun weg, den zijnen toeroepende hem bij te staan.
De vrijbuiters letten nauwelijks op dien enkelen man. Het zou roekeloosheid zijn zich door dien eenen vijand tot 't gevaar te laten verlokken van allen om te komen.
"Sta, vermaledijd Geuzenjong!" roept hij, en zijn rapier treft den Wormerschen weesjongen op het voorhoofd.
Jan Gerritsz zakte duizelend ineen, maar nog had het lauwe uit de wonde gudsende bloed de plek niet aangewezen waar hij nederzeeg, of de duizeling was reeds geweken, en de knaap had zijne door den zwaardslag doorsneden muts omgekeerd, terwijl hij het achterste gedeelte diep en vast over de wond trachtte te trekken.
Hij bleef zich ten volle bewust hoe elk oogenblik talmens zijn dood onvermijdelijk kou maken. Toch wilde hij niet ongewroken zijne makkers volgen.
De hopman vond het overbodig verder acht te geven op den verslagen knaap en riep zijne soldaten toe, toen Jan Gerritsz reeds van den grond verrees.
De jongen stopte zijn halsdoek tusschen den rand zijner muts en de diepe hoofdwond, die hem het bloed in de oogen deed loopen, om door dit gebrekkige verband het bloeden althans eenigszins te stelpen.
"Geef u over, knaap!" riep hem de thans weer op hem lettende hopman toe, "of bij de Heilige Maagd! een tweede houw zal uwen schedel splijten!"
Mogelijk gevoelde hij eenig medelijden met den jongeling dien hij een oogenblik vroeger meende gedood te hebben, en wiens bebloed gelaat wel geschikt was om deernis te wekken in den meest hardvochtige.
"Pak aan, paapsche beul!" antwoordde de jongen smalend, en eer de hopman zich verdedigen kon, had Jan Gerritsz het van den grond opgeraapte zwaard van een gesneuvelden soldenier dreigend opgeheven. De hopman bukte zich als werktuigelijk om den slag te ontwijken, daar het voor eene andere verdediging te laat was. Het zwaard trof hem in den nek, juist ter plaatse waar door zijne gebogene houding eene kleine opening tusschen den helm en den ijzeren halskraag was ontstaan, en Jan Gerritsz zag het hoofd zijns vijands voor zijne voeten rollen. Het was zijn geluk, dat zijn achterblijven door een paar zijner makkers bemerkt was. Deze hadden zich een oogenblik omgewend, haastig hunne musketten geladen en door hunne schoten bij de Spaansche soldaten den lust weerhouden om zich bij hun hopman te voegen.
Jan Gerritsz greep den bleeken, afgehouwen kop en kon dus onverhinderd zijne makkers achterop ijlen, om hem als teeken zijner dapperheid aan Sonoy aan te bieden.
Deze opperbevelhebber beschouwde dien althans als zoodanig, en prees luid de onversaagdheid van den jeugdigen held.
Eenigszins anders evenwel dacht daarover de weeshuisvader, onder wiens opzicht Jan Gerritsz zijne laatste levensjaren in het weeshuis te Wormer gesleten had.
Zoodra hij het krijgsrumoer vernomen had, had Jan Gerritsz ongevraagd ongeweigerd het weeshuis verlaten en was hij deel gaan nemen aan het gevecht, na zich in het tevens voor tuighuis dienende rechthuis van wapens voorzien te hebben.
Zoowel om deze verstoring van de tucht te straffen als om 't geen vader Sijmen eene heidensche wreedheid noemde, had hij den knaap met een dracht slagen ontvangen en bedreigd, hem met goedkeuring van den voorzittenden regent in het blok te zullen sluiten.
"Eer zal St. Olof je in den hemel brengen, eer dat gebeurt!" had de jongen geantwoord, en de weesvader was verbleekt; want, daar hij heimelijk de Roomsche superstitin aankleefde, die hij, onder de kettersche Wormeraars levende, voorzichtigheidshalve niet meer openlijk bekleed, vreesde hij uit die uitdrukking te moeten opmaken, dat Jan Gerritsz hem voor een verknocht vereerder van Wormers schutspatroon St. Olof hield.
De knaap had zich vervolgens, zonder verder iets te zeggen, in het bezit van zijn in het huis aanwezigen, luttelen eigendom gesteld en des nachts het gesticht verlaten.
Na zijne heldendaad hadden de in de buurt van Wormer rondzwervende vrijbuiters geen bezwaar gevonden hem onder hun aantal op te nemen, terwijl hij zijne behoeften, waarin deze niet voorzagen, trachtte te vervullen door het visschen van paling. Voorloopig aangenomen, was hij toch niet onmiddellijk in dienst getreden, omdat hij tot het nieuwe vendel wenschte te behooren, dat in Waterland werd aangeworven, maar nog onvoltallig was.
Daarom had hij aanvankelijk zijn intrek genomen in eene taveerne aan de Zaan, nabij het veer dat naar Wormer het Wormerveer genoemd werd. Nog bewoonde hij dit verblijf, toen de Spanjaarden, na eene kortstondige bezetting, reeds genoopt waren Wormer wederom te verlaten, waarna een paar vendels prinselijke soldaten er op nieuw bezit van genomen hadden.
Keeren wij, na deze uitweiding, tot Brecht terug.
Het viel moeielijk waar te nemen, of de gulle groet van Jan Gerritz zijne zuster aangenaam was of niet.
Na hare onwillekeurige beweging van schrik greep zij, zonder zijn groet te beantwoorden, het spantouw en hare neergezette melkemmers en zeide op koelen toon: "Ik dacht, dat een Spaansche henker je soms al mocht gehangen hebben!"
Toen ging de meid den Watergang over en Jan volgde haar.
"Is dat een verwijt Brecht! omdat ik je sinds eenige dagen geleden niet bezocht heb?" antwoordde de jongen, naast zijne zuster voortgaande. "Je vriendelijkheid is waarachtig ook wel uitlokkend om me elken dag van de Zaan naar Wormer te laten dansen, je bent zoo stug als een Schotsch weifel van den Prins!"
"Liever zoo, dan met een henkersnatuur vroolijk te wezen als een koorknaap bij St Olof's ommegang!"
"Wel wel, zusterkijn! Nog altijd denkende aan dien hopman dien 'k den kop afsloeg; alsof 'k den Prins vermoord had?
"Ge bezocht zeker de weesmoeder nog al eens!
"De vader had bij ons afscheid St. Olof ook nog bij den kop, en als 'k niet beter wist zou ik denken, dat die oude papistische fratsen ook nog door dijn hoofd spookten.
"Zeg! Wil je nu verder zoo norsch tegen me blijven dan ga ik heen, en ik doe klein Paterken kond, dat je non wilt worden in stede van zijne melkster en huiswijf tot Ilpendam!"
Men was de bonte genaderd, en Brecht scheen te vermoeden dat het spantouw onnoodig zou zijn om haar te helpen bij het ledigen van den blijkbaar rijkgevulden uier.
Zij wierp het touw over den rug der koe en zette hare emmers neder, zonder dat het bedaard herkauwende dier iets anders scheen te verlangen dan dat zijne verzorgster hare taak maar spoedig volbrengen mocht.
Deze evenwel scheen ook nu nog geen haast te hebben.
Zij sloeg hare armen op hare borst over elkander, en zeide, thans op iets vriendelijker toon:
"Wat weet je van Krijn Pater, heb je hem gesproken?"
"Ik ben niet te Ilpendam geweest, maar kom uit het westen, wat wel jammer is, want nauwelijks noem ik Ilpendam dat naar het oosten ligt, of je aangezicht doet me aan het liedeken denken:
Het daghet in den Oosten
Het licht schijnt overal.
"Pas evenwel maar op met je Paterken, want al is het ventje deftig als een pater, van St. Olof en andere paapsche rabouwen wil hij al even weinig weten als ik, en al heeft hij geen Spanjool den kop afgeslagen, hij heeft er des te meer verzopen!"
"Dat je dien hopman dood sloegt valt niet euvel te duiden, dat is naar krijgsgebruik en er was groote noodzaak voor, maar dat je als een henker zeuldet met dien akeligen kop: zie, Jan! al had de Prins zelf je er ook om geprezen, zooals nu zijn woeste stadhouder van wien hij zelf niet weet hoe die al huishoudt, dan nog zou ik zeggen dat 't duivelachtig afschuwelijk was. 't Diende tot niets, en bewees alleen dat bloeddorstige wraakzucht je niet deed strijden voor de vrijheid en de nieuwe leer, maar voor het rijk van Satan."
"Jan!" vroeg het meisje haren broeder een oogenblik later, en zij legde eene harer handen op zijn schouder, terwijl haar gelaat zachtere aandoeningen afspiegelde dan onderwijl zij de berispende woorden sprak: "Jan!" zoo vroeg zij op zachten, maar ernstigen toon: "Gij zijt een aanhanger van de nieuwe leer, leert die u dat Jezus zoo zou gehandeld hebben? Gij hebt onze moeder ook nog gekend. Zij stierf, ja! der oude kerke trouw, maar zeg! zou zij het hebben gewild dat men alzoo met een ketter handelde; heeft zij de wreedheid niet beschreid waarmede men hen vervolgde?"
Jan bleef een oogenblik zwijgen.
Toen sloeg hij zijne oogen voor zijne zuster neder en antwoordde, terwijl een vluchtig rood zijne wangen overtoog: "Ik geloof dat ik verkeerd deed, Brecht! en zal er mij nooit weer op beroemen. Toch werkt het onrecht zoo licht verbittering, die ons als waanzinnig maakt!"
"De Heer zal betere tijden geven, Jan! Wij zullen onze beulen dwingen hunne tirannije na te laten als onze moed den hunne overtreft, en ook vrijheid van geweten zullen wij hun afdwingen, als wij bewijzen dat onze godsdienst beter is dan die der oude kerk!
"Nu mag ik de bonte evenwel niet langer laten wachten. Zoo ge tijd hebt, blijf dan tot ik gereed ben en help me de melk dragen!"
Weldra zag Jan den sterk gezwollen uier merkbaar slinken, en bonte gaf door een zacht geloei te kennen, dat haar nieuwe toestand haar niet onaangenaam was.
"Wie mag daar ginds het hooge pad afkomen?" vroeg nu Jan Gerritsz, die zijne oogen toevallig naar de zijde van Wormer had gericht. "Zie! het kerelken let ook op ons en houdt zijne hand boven de oogen om scherper te kunnen zien! Ah! 'k herken hem al, 't is zoo waar klein Paterken in eigen persoon. Nu! hij zal je de melk wel helpen dragen, en ik ga huisman Egge waarschuwen dat hij een gast verwachten mag, die hem Pinksteren kan helpen korten!"
Lachende voegde Jan Gerritsz de daad bij het woord door langzaam naar het hooge pad terug te keeren.
Zijne zuster ging een oogenblik later eene tweede koe van de melk ontlasten, en de eerste emmer was reeds genoegzaam gevuld om het bruisende schuim der melk, die de deerne met kort afgebroken krachtige stralen uit deed stroomen, tot aan den rand te doen stijgen, eer ook zij den blik wendde naar den kant der woning naast het hooge pad.
Zij bemerkte nu haren broeder in de nabijheid van den naderenden Pater, wiens gestalte door de geringe lengte aan een jongen zou hebben doen denken, had de tevens stoere lichaamsbouw zulks niet belet.
Brecht naderde een derde koe en zou juist beginnen deze het spantouw aan te leggen, toen zij haren baas, den huisman Egge, uit zijne woning zag komen en op het tweetal toetreden. Zij hoorde hoe Egge zich met luide stem beklaagde, dat zijne melkster van haar werk gehouden werd.
"Ik heb dien nietsdoener, haar broeder, niet willen terugwijzen, en dacht dat hij Brecht mogelijk helpen zou het vee rustig te houden onder 't melken, maar nu wordt 't al te erg!"
Brecht hoorde hoe de aangesprokenen geen antwoord schuldig bleven, en hoe de ruwe toespraak spoedig een twist had uitgelokt.
"Zoo onbeschoft ben ik nog nooit behandeld!" riep klein Paterken verontwaardigd uit.
"Denkt ge soms dat ik een dief of schooier ben, lompert?" vroeg hij.
"Ik heb wat met Brecht te spreken, die heb ik langer gekend dan gij en 'k ben bereid vrij wat beter voor haar te zorgen.
"'k Heb minstens evenveel morgen lands als gij, maar zou toch niet van haar vergen dat zij alleen zoo'n zwaren arbeid verrichtte, terwijl ik lui en lekker in 't zonnetje zat. En dat durft dezen knaap, dien de Spanjolen reeds leerden kennen als een man, een nietsdoener noemen!"
"'t Raakt je geen zier!" antwoordde Egge. "Mogelijk kent Brecht je al evenmin als ik en liegt ge alles!"
"Men noemt me klein Paterken en 'k woon tot Ilpendam. Zeg! zult ge nu nog verder wagen ons te beleedigen?"
Klein Paterken schudde bij dit zeggen dreigend zijne vuist.
"Nu! nu! Ge wilt me immers niet verzuipen? Zeg!"
"Ziezoo! ik merk daaraan dat ge mij thans kent."
"'k Hoorde werkelijk uw naam eens noemen ja! en 'k vind het jammer, dat die henkersjongen daar bij Watergang niet bij de hand was.
"'t Is moedig inderdaad een dooden vijand het hoofd af te snijden!"
"Gij liegt, ellendeling!" riep nu Jan Gerritsz uit, met bliksemend oog en saamgenepen vuisten.
"Ik hakte den kop van een levenden hopman af.
"Dank het aan de nabijheid van Brecht, dat ik je in je vermaledijde valsche tronie niet wat kerven met mijn kortjan aanbreng, zooals Lijs het vischwijf in snoek en platvisch pleegt te doen. Het lijkt wel dat de duivel in je gevaren is, dat je den broeder zoo behandelt als hij zijne zuster een bezoek brengt, die als eene moeder over je kinderen staat.
"Hadt ge me vroeger reden gegeven om zoo'n behandeling te kunnen verwachten, ge zoudt me hier niet hebben aangetroffen!"
"Maar ik heb het immers niet tegen jou!"
"Niet? En wie noemt me dan een luiwammes, omdat ik me liever werven liet dan jou knecht te worden? Was dat mogelijk zoo maar voor de grap, zeg? Nu, 'k moet dan zeggen dat je grappen vrij gevaarlijk zijn, en ik bij gelegenheid ook wel eens eene grap met zou willen hebben van niet minder kras allooi.
"Ge waart in staat me aan den Spanjool te verschacheren, want 'k merkte aan Brecht dat je haar ook al tegen me opgezet hebt.
"Ze verweet me ook al van dien hopman, krek als jij, en van jou weet niemand of je een papist of geus bent."
"Er moet een eind aan komen!" viel nu klein Paterken in.
"Kort en goed, huisman! lk wensch Brecht te spreken en vraag je waar ik daarvoor gelegenheid kan vinden, daar ge me het betreden van je land verbiedt."
"Ga in mijne woning en wacht daar totdat zij klaar is met haar werk."
"Ik zal daar nooit een voet in zetten, tenzij ik wist dat er Spanjolen of verraders te vinden waren, en ik er de groote zaak der vrijheid dienen kon!" antwoordde Paterken.
Op dit oogenblik naderde Brecht zelve het drietal en zette hare boordevolle emmers naast zich neer.
"Ik heb uw gesprek grootendeels gehoord, Egge," zeide zij, haren baas aansprekende, op bedaarden toon en met die gemeenzaamheid, die nog heden in vele streken van ons vaderland tusschen boeren en hunne onderhoorigen gewoonte is. "Ik zal de melk bezorgen en de kinderen wasschen dat ze op 't Pinksterfeest schoon zien.
"Wil me daarna het loon geven dat me toekomt en 'k verlaat uw huis!"
Het viel moeielijk waar te nemen wie der drie mannen het meest verwonderd zag, bij dit op z kalm beslissenden toon uitgesproken voornemen, dat alle twijfel of het wel ernstig gemeend was onmogelijk werd.
Te vergeefs trachtte Egge de dienstmaagd te overreden om uit liefde voor zijne van vrouwelijke hulp afhankelijke kinderen op haar besluit terug te komen.
Niet dan met moeite ontperste hij haar eindelijk de belofte dat zij eerst den volgenden morgen vertrekken zou, opdat hij nog dezelfden avond gelegenheid zou hebben naar eene plaatsvervangster om te zien.
"'t Zij dan zoo!" had Brecht op zijn sterk aanhouden eindelijk geantwoord; "maar dan blijft Jan van nacht op de hoeve bij mij.
"Ik wensch met u geen uur alleen te zijn!"
Egge wierp een boosaardigen blik op zijne dienstmaagd, maar scheen zoo overtuigd te wezen van de noodwendigheid om aan haar wil toe te geven, dat hij stilzwijgend berustte.
"Draag gij nu even de melk in huis!" verzocht nu Brecht aan haar broeder; "ik heb nog te spreken met Krijn."
Willens of niet zag Egge zich door de laatste woorden voor het oogenblik tevens van zijn eigen erf verwezen, en hij volgde Jan Gerritsz naar zijne woning.
Krijn, wiens korte gestalte de zoo voor de hand liggende oorzaak was geweest die hem den naar den klank weinig afwijkenden bijnaam klein Paterken bezorgd had, bleef dus met Brecht alleen.
"Waar denkt gij thans heen te gaan?" vroeg Krijn, en hij naderde het meisje op vertrouwelijke wijze.
"Ik ga de Pinksterdagen slijten bij moei Aaft, tot Wormer, en zal daarna zien; maar hier blijven mocht ik niet."
"Wat was er voorgevallen, Brecht! dat je baas zoo onredelijk was?"
"Gij zult het wel voor je houden als ik je zeg wat ik vermoed. Jan heeft zoo'n labbetong dat ik 't hem niet zeggen zal.
"Egge was geloof ik wrevelig, omdat hij mij ten hijlik heeft gevraagd en ik hem weigerde!"
"Die rauwe loer!" antwoordde Krijn, rood wordende.
"Waarom dat scheldwoord?" hernam Brecht.
"Hij heeft inderdaad eene vrouw noodig, al was 't maar alleen om zijne kinderen, aan wie de moeder zoo wreed ontrukt werd, en 't kan toch geene oneere voor me zijn, dat de vader, die ze lief heeft en die mij kent in handel en wandel....."
"Moge zoo zijn! Maar 'k vind het dan al eene erg rare manier van vrijen. Om den broeder voor zich te winnen op de manier als hij Jan behandelde is al even ondenkbaar als om u daardoor gunstig te stemmen.
"Hij kwam je zeker nog wel met wat anders ook aan dan enkel met hijliksverzoek?"
"Hoor eens Krijn! Wie denkt ge dat ik ben, en meent ge dat ik mijne handen niet zou kunnen roeren en een vent als dien ouden Egge staan als 't nood was?"
"Maar ge zeidet geen uur met hem alleen te willen samenzijn onder zijn dak!"
"Daarvoor bestaat gansch andere oorzaak! Egge vergeet nooit dat de Geuzen zijne vrouw hebben doodgeschoten, ware 't dan ook bij ongeluk!"
"Nu! wat vreest gij dan?"
"Ik zal u zulks allicht later kunnen mededeelen, nu niet!"
"Hoe ging dat dooden van zijn wijf dan in zijn werk?"
"Er liep een valsch alarm, en de vrijbuiters ijlden gewapend over 't hooge pad, den gewaanden vijand zoekende.
"De vrouw van Egge, in een zwarten mantel gekleed, met over haar hoofd getrokken kap, kwam in den nacht terug van hare zuster die op 't dorp woonde en die doodziek lag.
"Door het rumoer verschrikt liep zij zoo haastig als zij kon, en bij de duisternis hielden de Geuzen haar voor een priester, althans, zij riepen luide: Sta paap!
"De vrouw begreep niet dat dit geroep haar gold en bleef in haren angst voortijlen naar het westen, van waar men den aanval verwachtte.
"Daar klonk een stem: Schiet den spion neder! en een maar al te juist musketschot volbracht het bevel.
"De vrijbuiters bejammerden tevergeefs hunne overijling toen zij een vrouwenlijk vonden, maar Egge vergeeft het hun nooit, en vooral niet aan hopman Pieter Claesz, die het kommando gegeven had.
"Zoo gelooft Egge althans, hoewel hopman Claesz ontkent dat bevel te hebben uitgesproken, even als ook de musketiers ontkenden dat zij geschoten hadden.
"Die het deed kreeg zeker berouw, toen hij zag eene weerlooze onschuldige vrouw gedood te hebben, en ontkende de daad, al was die toch moeielijk toerekenbaar."
"Al kan ik me daardoor verklaren dat Egge sommige vrijbuiters minder genegen is, zoo wordt me hiermede uwe vrees om den nacht op de hoeve te slijten toch in geen enkel opzicht verklaard.
"Of vreest ge allicht dat Egge mogelijk met andere voorstellen voor den dag zal komen nu gij hem wis gezegd hebt, dat ge de vrouw van Krijn Pater staat te worden, zeg? Wee den kalis, indien hij durfde."
"Zacht wat Krijn! Wie heeft gezegd dat ik je vrouw zal worden, al beloofde ik Pinksteren met je te zullen houden? - Wat nu Egge ook zijn moge, hem voor een vuilert te houden als gij vreest dat hij zijn mocht, daarvoor is geene enkele reden!"
"Maar, waarom mijn aanzoek afgeslagen, vooral nu gij toch van hier gaat?"
"Ik heb het niet afgeslagen, maar moet u eerst beter leeren kennen. Het hijlik is geen kleine zaak.
"Zeg Krijn! Berispt uw geweten je nooit om wat ge bij Waterland gedaan hebt aan die arme Spanjolen?"
"Neen Brecht! en zulks zal ook nooit geschieden; want de elf duizend maagden zouden me al evenmin als gij alleen overtuigen kunnen, dat ik goed zou gedaan hebben de tirannenknechten anders te behandelen."
"Maar men zegt dat er vrouwen bij waren en kinderen!"
"Dat liegen die ellendige Spanjolenvrienden! Ja! er waren er bij den troep, maar geen enkele onder het aantal dat ik niet aan wal zette!"
"Dat verandert de zaak grootelijks, Krijn, ofschoon ik er van ijzen kan, als ik u daar in mijne gedachten zoo koelbloedig en onbewogen zie blijven onder die door doodsangst verwrongen en u smeekend aanstarende gezichten."
"'t Zou er slecht bij staan, als men in een strijd van man tegen man op de kampplaats hezelfde gevoelde als in een weiveld onder koeien, of in eene kinderkamer!"
"Ge moet me daar morgen meer van vertellen, Krijn! Nu moet ik de melk en de kinderen bezorgen."
"Ik zal uwe moei gaan zeggen, dat ge morgen ten harent komt. Geef me nu mijn afscheid dan maar!"
Brecht reikte Krijn de hand. Deze greep die en trok de deerne wat nader tot zich. Hoewel half onwillig en blozende, duldde zij dat hij een kus drukte op hare gevulde kaken.

II
DE HUISZOEKING.
De dagtaak van den Zaterdag vr Pinksteren 1574 was geindigd, ook voor Egge's dienstmaagd, die de melkerij bezorgd en de kinderen gedaan had.
Jan Gerritsz staat voor het hooge kruisraam, dat uitzicht geeft op het hooge pad, en tuurt naar buiten. De voorwerpen op eenigen afstand heeft hij achtereenvolgens zien samensmelten met de in duisternis overgaande avondschemering.
"Ziezoo!" zoo spreekt Brecht hem toe, terwijl zij zich naast hem plaatste, "de kinderen slapen eindelijk. Geve God dat het hun vader gelukke eene goede verpleegster voor hen te vinden. Zij zijn zoo lief en onschuldig en zelfs Gerrit begrijpt nog niets van het geleden verlies.
"Wilt ge ze nog niet eens in hunne krib zien liggen, Jan?"
Jan Gerritsz volgde zijne zuster naar de bedstede, aan wier eene einde een soort van houten bak in de dwarste aangebracht was, waarin twee blozende jongens van drie en vijf jaren lagen te sluimeren.
Brecht heeft het driehoekige koperen schaaltje, waarin een biezenpitje in olie of traan drijft, dat uit een der hoeken stekend eene zwakke vlam draagt, van de haal genomen, en is op de voor de bedstee staande schabel geklommen, om het licht in de hooge krib te kunnen laten schijnen.
Jan heeft zich naast haar geplaatst.
Een oogenblik staarden beiden zwijgend op de sluimerende knapen, toen gaf Brecht het lampje aan haar broeder over, kuste de jongens en ging in het ruime vertrek terug.
Jan stapte insgelijks van de bank af en strekte zijn arm uit, om het lampje wederom aan den haalhaak op te hangen.
De haal, een smal, lang en dun plankje, waarin eene menigte kerven waren aangebracht, waardoor een gedeelte, hetwelk in een ijzeren haakje eindigde, hooger of lager gesteld kon worden, hing aan een horizontaal bevestigde, met het eene einde door eene houten pen aan een balk verbonden lat.
Door deze lat aan de pen te doen draaien, kon men aan het licht op betrekkelijk ver van elkander verwijderde punten eene andere standplaats of liever hangplaats geven.
"Blaas de lamp liever uit, Jan! Als baas Egge terugkomt, behoeft hij niet te weten dat ge u nog niet naar den zolder begeven hebt en ook ik nog niet te bed lig."
Jan voldeed aan den gegeven last en Brecht ging met hem naar het kruisraam terug.
Jan zette zich op een onder het raam staanden stoel met planken zitting.
"Kom naast me staan, we kunnen dan uitzien; ik zal u zeggen waarom ik hier niet zonder u wilde achterblijven."
Het raam was inderdaad te hoog aangebracht om een zittende ander uitzicht dan naar de bovenlucht te vergunnen.
"Er valt niet veel te kijken, ook al was er buiten wat te zien," zei Jan, en hij veegde met zijne hand over een der kleine, groen gekleurde, in lood gevatte ruitjes, als dacht hij daardoor de doorschijnendheid te verhoogen.
"Ik heb lang geaarzeld over wat ik doen moest," zeide nu Brecht.
"Ge weet, Jan, dat ik maanden achtereeen het brood van Egge gegeten heb, en het zou afschuwelijk ondankbaar zijn zoo ik den man in moeite bracht en zijne kinderen ongelukkig maakte, wier moeder me altijd als eene dochter behandeld heeft. Beloof me plechtig dat ge aan niemand iets zult zeggen van wat ik u toevertrouw."
"Spreek; ik ben geen verrader!" antwoordde Jan.
"Weet dan, dat ik voor eenige dagen des nachts wakker werd door eenig gerucht buiten 's huis.
"Toen ik me zacht overeind gericht had en tusschen de gordijnen der bedstede doorgluurde, zag ik Egge op den vloer staan.
"Ik dacht aanvankelijk dat een der kinderen onpasselijk was geworden, zooals soms wel meer gebeurt, en stond op het punt om te vragen of ik het ook helpen kon, toen ik zag hoe hij zich sluipende naar het achterhuis begaf en door de zijdeur naar buiten ging.
"Toen hij mijne bedstede, hoewel niet in dichte nabijheid, voorbijging, hield hij de hand voor het licht van de lantaarn, opdat het niet naar mijn kant zou schijnen, en in het achterhuis hing hij die om den hoek, zoodat mijne slaapplaats in de schaduw bleef.
"Ik hield mij stil en luisterde zoo scherp mogelijk.
"Ik hoorde nu al spoedig gefluister en zag heen en weer glijdende schaduwen.
"De koeien liepen reeds buiten, behalve eene enkele, die nog kalven moest en die ik gewoon was te verzorgen.
"Nu heeft Egge me den volgenden dag gezegd dat hij zelf dit voortaan doen zou, en 's nachts daarop meende hij voorzichtigheidshalve bij 't beest te moeten blijven waken, ofschoon ik hem herinnerde hoe 't nog onmogelijk de tijd voor Keizer zijn kon.
"Ik besloot wakker te blijven, en des nachts, juist toen de slaap me begon te overmannen, hoorde ik gerucht als in den vorigen nacht, maar nu nog luider, en 't scheen me toe dat eenige mannen een zeer zwaar voorwerp in het achterhuis zeulden."
"Hoe lang is dit nu al geleden?" vroeg Jan, die, aanvankelijk half onwillig luisterende, nu met de meest mogelijke belangstelling zijne zuster aanhoorde.
"'t Was in den nacht van Woensdag op Donderdag."
"En zijn die sluipers er later niet weer geweest?"
"Ik Heb ze niet gehoord, maar ge begrijpt dat ik nacht op nacht ook niet wakker kan blijven liggen, na 's daags zwaar gewerkt te hebben.
"Toch houd ik het er voor van wel, want toen ik gisteren morgen opstond zat de buitenwervel op de staldeur, en die wordt anders van buiten nooit gesloten of het vee moet op stal staan en buiten gaan drinken, en Keizer wordt gedrenkt op stal, omdat die zoo wild is en door de sloten zou zwemmen om in de wei te komen.
"Zwaar drachtig als het heest is zou er met Keizer licht een ongeluk kunnen gebeuren."
"Jal ja! ik begrijp je," antwoordde Jan ongeduldig.
"Zeg, wanneer verwacht je Egge terug?"
"Ik weet niet eens waar hij heen is!"
"Steek me eens gauw licht aan, we moeten het achterhuis onderzoeken."
"Denk aan uwe belofte, Jan; wat gaat het ons aan?"
"Maar wat satan! waarom verteldet ge mij dan een en ander? Gij begrijpt toch zoo goed als ik dat hier verraad schuilt."
"Denk aan die onschuldige kinders, Jan!
"Gij moogt Egge niet verraden, als hij ook al schuldig is. Gij weet dat hij nog aan de oude leer hangt!"
"Dat geeft geen recht om met den vijand te heulen, gij zelf keurt dat niet minder af dan ik. Waarom vertrekt ge anders zoo plotseling uit uw dienst?"
"Nu ja! Maar wij kunnen mogelijk zijne booze plannen verijdelen zonder hem in 't verderf te storten."
"In elk geval kan de henker niet henken als de misdadiger haasop gespeeld heeft, en je baas zal wellicht voor den strop niet onverschillig zijn al voelt hij dien nog niet.
"Maar houd nu op met marren; waar is vuur om de lamp aan te steken?"
Brecht verliet nu het raam en zocht de vuurtang, wat haar ondanks de duisternis niet moeielijk viel door hare bekendheid met de inrichting der woning.
Spoedig had zij eene nog smeulende kool van onder de haardasch opgerakeld en blies er op, en Jan kon bij den opgewekten gloed het lampje aansteken, dat hij reeds van de hang genomen had.
Het huis van huisman Egge bevatte zonder eenigen tusschenwand tevens het achterhuis, waar de bezigheden voor zijn bedrijf als melkboer verricht werden, en de stallen voor het vee, die het achterste gedeelte uitmaakten.
"Hang het licht om den hoek der bedstede, dan schijnt het niet op het raam in den voorgevel, als Egge soms komt," zeide Brecht.
Hij mag anders vrij gelooven dat ik niet in den donker op den zolder in het hooi zou gaan kruipen, zonder dat ik werd bijgelicht aan de leer'
"'k Wensch voor den vent niet mijn nek te breken," antwoordde Jan, en zijne zuster meende eenige ontroering op te merken in zijne stem.
Zij vergiste zich hierin niet.
Hoe onverschrokken onze jeugdige vrijbuiter wezen mocht, daar zoo heimelijk als een glipper rond te sluipen in eens anders woning en eens andermans eigendom te doorsnuffelen, stuitte hem bij langduriger nadenken tegen de borst.
Hoe kon hij ook met zekerheid vermoeden dat Egge misdadig was; kon er niet iets anders bestaan dan verraad, wat hem noopte om voor een vreemde, zooals dan toch ook Brecht was, geheimen te hebben?
"Weet ge zeker dat Egge met de Spanjolen heult?" vroeg hij dus, na de lamp aan een spijker gehangen te hebben.
"Hoe heb ik het nu met je, Jan? Gij maakt uwe eigene woorden tot de mijne, en ik deelde u alleen mede wat ik wist, om u mijn gedrag te verklaren en waarom ik hier niet alleen den nacht wilde doorbrengen, vooral nu Egge zoo onbillijk tegen u en ook zoo norsch tegen mij was."
"Zijt ge bang voor hem?"
"Bang? Ik bang voor zoo'n..... neen! maar 'k ben bang voor dat vreemde volk, daar de achter- en staldeuren zoo goed als zonder sluiting zijn."
"Waar denkt ge, dat ze dat zware voorwerp geborgen hebben?'
"'k Weet het niet!"
"Kom eens hier met het licht! Daar achter dat hoopje hooi en die horde zou wel wat kunnen zitten!"
Brecht gehoorzaamde en lichtte haren broeder voor zijn onderzoek bij.
De sterk verkolende russchenpit gaf meer walm dan licht.
Brecht, tikte er met eene harer nagels tegen om de kool te doen afvallen.
Eene vonk viel op de hand van Jan, doch doofde toen terstond uit.
Jan slaakte een vreeselijken vloek.
"Is uwe huid zoo teer?" vroeg Brecht knorrig en zij staarde verwonderd haren broeder aan, die plotseling verbleekt was.
"Maar zoo hevig kon toch die pijn niet zijn!"
"Laat maar liever geene vonken meer vallen, als ge niet wilt dat we om gaaies gaan door eene laaie als ge nog nooit gezien hebt!"
"Maar waar de vonk viel, ligt geen hooi!"
"Neen! maar hier ligt een zak met polver!"
"Polver?"
"Ja, buskruit, en schroot!"
Brecht deinsde verschrikt met het licht naar het midden van den achtervloer.
"Laat ons naar bed gaan, Jan!" zeide zij.
"Ge zijt wel niet simpel, hoop ik! Thans heb ik zekerheid, maar waar zoeken we dat zware voorwerp waarvan ge gesproken hebt?"
"Maar dat zal dt zijn?"
"Neen, zeg ik u. Dat schroot moet dienen voor een kanon. Ik weet dit niet alleen omdat daar ook kogels hij liggen, maar dat gekapte lood en dat oud ijzer is te grof voor haakbussen en is afgepast ook voor groote ladingen!"
Jan ging dus voort met zoeken; een tijd lang te vergeefs.
Eindelijk evenwel gingen beiden over tot het doorzoeken van den stal, en Jan vond aldaar inderdaad in den greppel, des winters voor mestverzameling bestemd, een stuk geschut, door wat ruigte overdekt, die tot strooing voor Keizer dienen moest.
"De vijand wil trachten Wormer te verrassen," sprak hij nu na eenig nadenken. "God weet wanneer, en hoe weinig tijd ons mogelijk rest om het te verhoeden.
"Ik snel naar 't dorp om me te wapenen en den overste te waarschuwen, maar vooraf moet ik dit hier onschadelijk maken.
"Zij mochten van nacht eens opdagen.
"We zouden het wat kwaad te verantwoorden hebben als we dezen sinjeur op het hooge pad opgesteld vonden, om ons welkom te heeten bij den aanval.
"Brecht, bezorg me een hamer!"
Na dit zeggen liep Jan op den bedsteewand toe, waaraan het lampje gehangen had, en rukte den spijker uit.
"Is een handbijl goed?" vroeg Brecht met zichtbare gejaagdheid.
"Uitmuntend," was het antwoord.
Jan haastte zich nu den spijker in het naar boven gekeerde zundgat van het kanon te slaan.
Met kracht dreef hij het taaie ijzer in het gat en sloeg er toen het uitstekende eind af, zoodat de benedenhelft, die er in steken hleef, van boven met de oppervlakte van het kanon gelijk was.
Toen verklaarde hij het huis te zullen verlaten en noodigde Brecht uit hem te volgen.
"En dan de kinderen alleen laten, terwijl hun vader afwezig was, 't zou ontaard zijn!" antwoordde Brecht.
"Maar 't is geen tijd van marren," hernam Jan, niet minder gejaagd dan zijne zuster.
Nu werd het eene plan na het andere gevormd.
Men meende eerst de kinderen mee te nemen, maar de slaapdronken knapen waren naar Brechts gevoelen te zwaar om hen over een belangrijken afstand te dragen, en trokken, wakker gemaakt voor eene toch beraamde wandeling, zoo luid aan het schreien, dat dit voornemen opgegeven moest worden. Toen legde Brecht hen, bijna geheel gekleed, weer te slapen, men kon niet weten wat nog noodig werd.
Ten slotte kwam Jan met zijne zuster overeen, dat hij zijne wapenen zou gaan halen aan zijn verblijfplaats naar den Zaankant.
De vijand toch, zoo die komen mocht, moest van die zijde verwacht worden, en ook Egge had zich naar dien kant begeven.
Brecht beloofde dat zij onmiddellijk het huis verlaten zou, als Egge vroeger terugkwam dan haar broeder, hoewel zij angstig was in 't holle van den nacht alleen naar Wormer te gaan.
Moei Aaft woonde zoo verre; doch om nu nog met Egge alleen te blijven, dat kwam haar nog verschrikkeiijker voor.
Als hij maar geen Spanjolen meebracht.
Als Jan terugkwam zou zij in elk geval met hem mee gaan naar Wormer, zij verging van angst, maar 't zou dan toch ook spoedig dag worden, en Egge zou de kinderen dan toch ook niet vergeten en hij wist dat zij vroeg vertrekken wilde.
Zij meende, 't kon al wel een uur of een zijn, en vr drie uren brak de schemering al aan, als de lucht niet al te dijzig was.

III.
DE VERLOOFDEN.
't Was een donkere en gure nacht voor een midden-zomernacht, toen Jan Gerritsz het huis van Egge verliet.
Hij had het handbijltje, waarmede hij het kanon vernageld had, in zijn gordel onder zijn wanbuis gestoken.
Men kon nooit weten hoe zoo iets te pas kon komen, daar hij geen ander wapen droeg dan zijn knijf.
Nog had hij het erf niet verlaten, toen hij er reeds volkomen vrede mee gekregen zou hebben, indien hij mogelijk eenig bezwaar gekoesterd had om zich eens anders eigendom ongevraagd toe te eigenen.
Ondanks de mist, die geen enkele ster vergunde door te schemeren, zag en hoorde hij dat iemand over het hooge pad ging en op enkele schreden afstands staan bleef, naar den kant waarlangs zijn weg ook hem moest voeren.
Jan klemde den steel van de bijl stevig vast, zoodat hij, zoo noodig, onmiddellijk gebruik van 't wapen maken kon, ging op de gedaante aan met vasten stap, en riep met maar zeer weinig bevende stem; "Wie daar?"
"Zoo, zijt gij het Jan? Wees niet vervaard, ik ben het!" was het antwoord, en Jan meende aan de stem klein Paterken te herkennen.
"Van die vervaardheid zal ik me geene krankheid zetten; maar zeg, Krijn! wat scheent ge me groot in dien mist, je leekt me zoo pas wel een reus!"
Jan Gerritsz was nieuwsgierig om te weten hoe Krijn hier in het holle van den nacht zoo door hem aangetroffen werd, en deze wederkeerig waarom hij zijne zuster zoo alleen liet op dit uur.
"Egge zit in den Gouden Os vroolijk te fooien met een troep vrijbuiters en officieren van den Prins," zoo deelde hij onder anderen mede, "en hij roept zoo luid "vive le Gueux!" en gaf zoo nobel een paar dubloenen in 't gelach, dat ik over zijne liefde voor de goede zaak nog versteld ben, en me zelf verweet dat ik hem wis te lichtvaardig verdacht heb, omdat ik weet dat hij nog soms een Ave Maria bidt. "Zoo zijn er echter meer, die alevel goede vaderlanders zijn!"
"Egge in den Gouden Os?" hernam Jan verwonderd, als betwijfelde hij de juistheid: "en hij ging naar de Zaanzijde!"
"Dan is hij later teruggekeerd, wat ik u zeg is waarheid, maar toch vertrouwde ik zijn gedrag niet en onrust dreef mij dezen kant uit."
"Nu! ge zult zeker Brecht wel gaarne gezelschap houden, zij zit in duizend vreezen alleen, en ik ga mijne wapens halen!"
"Ik heb tegen Egge gezegd dat ik nimmer een voet in zijn huis zou zetten, tenzij om er een vijand te bestrijden of op andere wijze de zaak der vrijheid te dienen!" antwoordde Krijn.
"Dan behoort ge er juist, ga gerust naar binnen! Brecht zal u wel op de hoogte brengen van wat ik bedoel, ik moet thans voort!"
Na dit zeggen vervolgde Jan Gerritsz zijnen weg, en Krijn ging, na nog eene korte aarzeling het erf op en klopte aan de deur van Egge's woning.
Brecht vermoedde dat of Egge te huis kwam of dat Jan iets vergeten had, en haastte zich de deur te openen.
Zij wist daarbij te goed, dat kwaad volk gemakkelijk met eenig geweld in huis kon dringen, dan dat zij zulks, ook al had zij hiervoor gevreesd, toch niet het voorzichtigst zou gevonden hebben.
Nu was zij niet weinig verwonderd Krijn voor zich te zien.
Krijn deelde haar mede wat hij een oogenblik vroeger aan haar broeder had meegedeeld, en hoe deze zich tegen hem had uitgelaten.
"Wat kan hij bedoeld hebben dat ik hier thans juist wezen moest, na mijn verzeggen tegen Egge voor ettelijke uren, dat ge mede aangehoord hebt?" zoo eindigde hij.
"Ik zal u alles zeggen," beloofde Brecht, "maar dan moet ge me n ding verzekeren."
"Wat kan dat zijn, Brecht?"
"Dat ge Egge zult sparen, indien gij hem schuldig vindt, om der wille zijner arme moederlooze kinderen!"
"Enkel om hunnentwil?"
"Foei, Krijn! Wat beteekent die vraag?"
"Nu! ik beloof het u. Wat Egge ook misdeed, om uwentwil zal ik het op hem niet wreken. Tenzij de uiterste noodzakelijkheid in 't belang der vrijheid anders gebiedt, zal ik hem ontwijken waar ik kan."
Brecht verhaalde nu welke ontdekking sinds den avond door haar broeder gedaan was.
"Die verrader! Hij verdient beklipt te worden!
"Ja! hij moet gevangen worden, want nog op het oogenblik leidt hij de waakzaamheid der onzen in den Gouden Os af door den hoplieden en vrijbuiterkapiteinen de boordevolle kroezen te doen ledigen.
"Ge hadt eens moeten hooren wat ruwe jok daar alles vergeten doet, onder het slempen van den wijn!"
"Wat wonder, Krijn! Staan niet de vierdaghen van Sinxen voor de deur? Egge zal goed geslaagd zijn met het zoeken eener dienstmaagd, en hij houdt van kallen!
"De hooverdij zal hem in zijn kop geslagen wezen; als die kapiteinen zich niet hem zoo gemeenlijk inlaten, is hij er wel de man naar om ijdel te worden en niet op een paar dubloenen te zien.
"'t Is alsof gij en Jan weet, dat de Spanjolen dien krijgsvoorraad in dezen nacht gebruiken willen, maar zij vieren toch ook hun Sinxen-feest!"
"Ja! zij vragen wat naar Gods vierdaghen als zij een sacramentarius kunnen slachten; doch ik zal wachten tot Jan terugkomt en met hem overleggen wat ons te doen staat.
"Doch 't staat hem te wenschen dat hij niet vr dien tijd hier terug kome.
"Als hij mij onder de oogen kwam met zijne valsche tronie, dan zou ik voor me zelven niet kunnen instaan!"
"Ge zoudt toch wis wel kunnen heengaan als ge aan zijne kinderen dacht, en ik zou hem een wenk geven.
"Zijne plannen moeten nu door onze vondst toch verhinderd worden, en hij moge een verrader zijn, hij is alevel thans machteloos, en welk gevaar kan hij dus brouwen!"
"Gij zijt eene goede voorsprake, Brecht! maar als gij den schrik onder die ellendige papenknechten en verraders brengen moest zoo was de zaak wis verloren!"
"'t Kan zijn, Krijn! Toch schijnt 't me toe, dat alle noodelooze wreedheid niet voor uwen godsdienst pleit, die toch haat en wrake verbiedt.
"Ach! Mocht ge meer strijden leeren voor de nieuwe leer, door ook te toonen dat ge meer dan de papisten aan Gods genade denkt en genadig leeren zijn, zooals immers ook gij bidt: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren!
"Hoe lief zou ik u dan niet hebben, en thans ben ik vaak bang voor u, vooral als ik denk aan wat ge bij Watergang verricht hebt."
"Spreekt ge daar al weer van?" antwoordde nu Krijn, blijkbaar eenigszins ontstemd.
"Maar weet ge wel juist, wat daar is voorgevallen en hoe de toedracht was?"
"Vertel het mij zelf dan, Krijn, ik bid het u!"
"Uw wensch geschiede," antwoordde Krijn, en hij deelde, hoewel in gansch andere woorden, het volgende mede.

IV.
HET VERHAAL VAN KRIJN PATER.
"Het avontuur waarvoor ik me nimmer schamen zal, alhoewel zij liegen die zeggen dat ik er gaarne op poch, viel voor, eenige dagen nadat de Spaansche overste Tambergen van Landsmeer naar Ilp was opgerukt.
"Ik had mij aangesloten bij de verdedigers van Ilpendam, maar toen 's Prinsen soldaten gevlucht waren, was verdere verdediging nutteloos en ieder van ons zocht een goed heenkomen.
"Mijn hart trok mij naar mijne woning, waar ik mijn ouden vader achtergelaten had, en reeds uit de verte zag ik het huis in brand staan.
"Ik had mijne wapenen op mijne vlucht verstoken en mijn verrejager met een stompen polsstok verwisseld, om geen argwaan te wekken dat ik deel genomen had aan het gevecht, en vloog nu, zoodra ik den brand had opgemerkt, half waanzinnig van angst, en en elk ander gevaar vergetende dan wat mijn vader kon bedreigen, naar huis.
"De Spanjaarden hadden het huis in brand gestoken om daardoor mijn vader tot het ontdekken van schatten te nopen, die zij er in verborgen achtten.
"Tevergeefs bezwoer de grijsaard bij zijner ziele zaligheid, dat hij geen penning bezat boven hetgeen hij hun had aangewezen.
"Gij liegt, ketter!" antwoordden de woestelingen.
"Uwe woorden zelven verraden u! Gij gilt van angst en smeekt om uw leven en roept geen heilige aan! De satan en de mammom maakten zich meester van uwe ziel; maar uw geld is ons!" Den grijsaard slaande tot bloedens toe, wilden zij in hunne woede hem daardoor zelfs terugdrijven in de vlammen, opdat hij de gewaande schatten zou kunnen aanwijzen en zich daardoor aan verdere marteling onttrekken.
"Kermende wierp de grijsaard zich telkens op nieuw op zijne knien en smeekte om genade.
"Ik zag hoe men hem schopte als een hond.
"O, was ik toen gewapend geweest! Nu kon mijn vuist alleen een der soldaten ter aarde vellen zonder hem te dooden, en in het volgende oogenblik zou men mij gedood hebben, indien niet juist de overste er plaatse van het tooneel gekomen was.
"Hij deed onderzoek naar wat er gaande was en beval mijn vader niet verder te moeien.
"De ondergane mishandelingen en de ongemakken, die hem nog zouden moeten overkomen eer hij eenige geschikte verzorging vinden zou, deden mij evenwel vreezen dat hij het gebeurde niet lang zou overleven.
"Stel u dus mijn schrik voor, toen de overste mij onmiddellijk pressen liet, waardoor ik dus niet eens beproeven kon het leven van mijn vader te redden.
"Te vergeefs smeekte ik, den mishandelden grijsaard vooraf ergens onder dak te mogen dragen; de overste gaf verder geen acht op mij, maar berispte den hopman dat deze hier zijn tijd verbeuzeld had in plaats van Watergang te bezetten, waar zeker in de rietbosschen, zoo niet in de huizen, vele vluchtelingen schuilen zouden.
"Laat dien kaasboer de helft van uw volk overzetten met uw luitenant en laat hen tot nader orders te Waterland legeren.
"Gij moest die schuit daar in dien waterstreng reeds opgemerkt hebben!"
De overste verwijderde zich en de hopman gelastte mij de schuit gereed te maken.
Ik weigerde bepaald, zoolang mijn aan zijne wonden bloedende vader niet verzorgd was, en zeide mij liever in stukken te zullen laten hakken dan mijn vader zoo ellendig om te laten komen.
"Dan zal ik hem verzorgen!" antwoordde nu de hopman, en een zijner pistolen uit den gordel trekkende, schoot hij den grijsaard dood.
"'t Was wellicht eene weldaad hem bewezen, de martelaar was thans uit zijn lijden verlost, maar er viel niet aan te denken dat de hopman niet die bedoeling had gehandeld, en die tijgerachtige bedaardheid, waarmede de daad volbracht werd, dat duivelachtige spottend woord: dan zal ik hem verzorgen, neen, ik vergeet het nooit, hoe dit mij als waanzinnig van woede maakte.
"Nog weet ik het mij zelf niet te verklaren dat ik den onverlaat op dat oogenblik niet met mijne tanden verscheurd heb.
"Nog begrijp ik niet, dat wraakzucht me op dat oogenblik niet heeft doen stikken, en toch vond ik geen middel hoe me te wreken.
"De hopman gaf me mijne bezinning weder.
"Herinner hem eens wat ik hem bevolen heb!" sprak hij, en een sergeant wees me onder een dracht stokslagen op de mij bekende schuit, onze eigen schuit.
Daar schoot me eene gedachte door het brein, die me mijn volle verstand terug deed vinden.
Ik zou mij wreken en tegelijkertijd der goede zaak een belangrijken dienst bewijzen, en waar wij op dezen dag de nederlaag geleden hadden, zou ik geheel alleen den vijand niet geringe afbreuk doen.
Haastig maakte ik de schuit gereed, wier rankheid ik zoo dikwijls verwenscht had als ik er de volle melkemmers in varen moest, en die ik thans wel had willen zegenen.
"Enkele minuten later stak ik met het overvol geladen vaartuigje van wal.
't Is verstandig van u dat ge in 't onveranderlijke berust en u niet verder verzet!" zeide de hopman.
"Zet de manschappen nu op eene hooge plek op de Watergangschen grond en kom terug om nieuwe vracht!
"Ik zal ten slotte zelf gaan onderzoeken of ge uw last naar eisch vervuld hebt en eene belooning verdient."
"Ik antwoordde alleen door het deemoedig afnemen mijner muts, en stak de riemen uit.
"Nog niet ver van de plaats van afvaart brachten hooge dicht gepluimde en blad rijke rietbosschen ons buiten het gezicht van den hopman en de achtergeblevenen van zijn vendel.
"Ik roeide ijverig voort, en de sergeant vroeg waarom ik hem nog niet aan wal zette.
"De hopman gelastte mij zulks op eene hooge en drooge plek te doen," antwoordde ik, en ik kon een grijnslach niet weerhouden.
"Het hart klopte met zware slagen in mijne borst, het schemerde mij als voor de oogen.
"Ik was bij een mij bekende breede tochtsloot gekomen en voer die in.
"Door de snelle vaart van mijne schuit en het plotselinge zwenken, ging het ranke vaartuigje wiegelen en het schepte eenig water.
Als door eene onwillekeurige beweging weken alle soldaten naar de andere zijde.
"Op dit oogenblik hield ik op met roeien, zette mijne voeten schrap, en hielp het schuitje in zijne schommeling genoegzaam om het te doen kantelen!
"De zwaar geharnaste Spanjolen zonken bijna allen, na het slaken van een enkelen doodskreet.
"Toen ik zwemmende mijn vaartuig naar den oever gekoersd had en de bovendrijvende kiel weer beneden had gebracht, behoefde een tik met een riem nog maar een paar hunner te nopen om het riet los te laten, waaraan zij zich bij den drassen oever hadden vastgeklemd!
"Toen hoosde ik het vaartuig uit en maakte mij voor eene nieuwe overvaart zoo haastig mogelijk gereed!"
Hier hield Krijn Pater een oogenblik op met zijn verhaal.
Met angstige spanning had Brecht aan zijne lippen gehangen.
Medelijdend had zij hem aangehoord toen hij haar de vreeselijke smart had doen gevoelen, door hem geleden bij de zijnen vader aangedane mishandeling, en zoo zij het gevoel van wraakzucht dat hij haar had geschetst, ook al niet gedeeld had, zij had het toch begrijpelijk leeren vinden.
Bij het laatste woord van Krijn, waarbij hij verklaarde zich voor eene nieuwe vaart gereed gemaakt te hebben, keek zij hem evenwel als verwonderd, zoo niet verschrikt aan.
"Hoe! Gij gingt dus terug en vluchttet niet?" vroeg ze eindelijk aarzelend.
Krijn antwoordde, en een akelige grimlach omtrok zijne lippen.
"Maar hoe kon ik dan? Die hopman, die mijn vader zoo eigenaardig verzorgd had, wilde nog komen zien hoe ik mijne taak had verricht!
"Ik kan evenwel kort zijn!
"Nog twee tochten maakte ik op nagenoeg gelijke wijze als de eerste, toen kwam de beurt om overgezet te worden aan een zestal vrouwen en een paar kinderen.
"Onder de vrouwen bevonden zich een tweetal zoetelaarsters, en vooral deze hadden zooveel goed bij zich, dat mijn vaartuigje geheel gevuld werd.
"Daarbij beklaagden zij zich luide, dat de boot zoo vuil, nat en glibberig was.
"Dit deed den hopman, die met den luitenant op het punt stond om den tocht mede te maken, van besluit veranderen en hem vragen wat daarvan de oorzaak was.
"Ik antwoordde dat de eerst overgezette soldaten zoo driftig geweest waren om aan wal te springen, dat het vaartuig half gekanteld was en water had geschept, en gelastte de vrouwen meteen zich vooral zoo stil mogelijk te houden.
"Dit bevrijdde mij van de vrees, dat de beide officieren ook nu zouden instappen. Ik zou alsdan niet geweten hebben, hoe den hopman voor zijne wreede daad te straffen zonder allen op te offeren.
"Nu roeide ik met mijne vracht eene smalle sloot in, en beval de soldatenvrouwen aan wal te gaan.
"Zij aarzelden, omdat zij geene levende ziel zagen, waar zij verwacht hadden hare mannen te vinden, en vroegen waar deze toch waren, verklarende dat zij naar hen wilden gebracht worden.
"Zoekt dan maar goed!" antwoordde ik, en zonder haar verder te woord te staan, begon ik hare goederen door het hooge riet op den wal te werpen.
De vrouwen hoopten waarschijnlijk, bij niet verder door 't riet beperkt uitzicht, de haren wel te zullen bespeuren en volgden nu vrijwillig.
"Ik haastte mij naar de plaats van afvaart terug en roeide enkele minuten later met de officieren van den wal af.
"Nog waren wij niet uit het gezicht der achterblijvende krijgslieden, die op de terugkomst van hun hopman moesten wachten, of de hopman en de luitenant luisterden verwonderd naar het geklaag der vrouwen, die waarschijnlijk aan het jammeren getrokken waren toen zij van hare verlatenheid zeker werden.
"De hopman vroeg mij wat ik van dat geschreeuw dacht, het scheen hem toe van vrouwen te komen. "Mogelijk hebben uwe soldaten hun handwerk reeds begonnen," antwoordde ik. "Er zal daar ergens eene hoeve liggen, waar zij allicht zullen begonnen zijn huis te houden als daar straks op die van mijn vader!"
"De hopman keek me doordringend aan, en ik achtte het oogenblik om te handelen gekomen.
"De beide officieren zaten tegenover mij in het midden van het bootje, op de eenige bank, die het vaartuigje behalve de roeibank bezat.
"Zij hadden hunne rapieren tusschen hunne knien geplaatst en droegen elk een koppel pistolen, hoewel ik niet bemerken kon of de lonten ook brandende waren.
"Ik elk geval begreep ik dat van snelheid van handelen mijn leven afhing, en dat het onmogelijk zijn zou, ook al had ik gewild, den luitenant te sparen.
"Ik moet evenwel erkennen, dat ik hiervoor geene enkele reden zou gevonden hebben.
"Zoo krachtig mogelijk roeiende, was ik spoedig op de hoogte van den breeden watergang gekomen.
"Goddank! dacht ik, want het nadenkend uitzicht van den hopman deed me vreezen, dat hij kwaad vermoeden kreeg.
"Ik wendde mijn hoofd half om en riep, op de riemen hangende en daarbij voor een paar sekonden half staande, als verschrikt: "Wat daar gebeuren mag!"
"Als onwillekeurig stonden de officieren op en keken oplettend starende in de richting, waarheen ook ik had uitgezien.
"Nu drukte ik de eene riem zoo diep en vast mogelijk in 't water.
"De boot wendde en de officieren vielen waggelend op hunne zitplaatsen neder.
"Op hetzelfde oogenblik had ik den anderen riem met een forschen zwaai uit de dollen gelicht, en deed dien met zooveel kracht tegen de officieren aankomen, dat de luitenant door den dubbelen schok geheel en de hopman half over boord viel.
"De vaart van het schuitje maakte, dat de luitenant in het volgende oogenblik er te vergeefs zijne handen naar uitstrekte om er zich aan vast te klemmen.
"Ik liet het vaartuig nu voor het oogenblik aan zich zelf over, en greep den hopman aan zijn bandelier.
"Thans zal ik u verzorgen, sennor! riep ik, en wierp hem geheel over boord, zonder dan bandelier nog los te laten.
"In doodsangst staarde de man mij aan, zonder een enkelen kreet te slaken.
"Die blik had mij, ondanks alle reden tot wraakzucht, nog bijna 't harte week gemaakt, en 'k besloot hem niet langer te martelen. Dies liet ik den bandelier glippen en een der roeispanen nedervallen op zijn nek, zoodat hij zonk, en ik te vergeefs naar de plek uit bleef zien of hij nog een keer mocht boven komen."
Krijn Pater zweeg en zag met rustigen blik de maagd aan naar wier liefde hij dong.
Nu hij zelf haar de juiste toedracht meegedeeld had van de zaak, die zijn naam zoo ver in den omtrek beroemd gemaakt had of berucht, al naar de denkwijze van den beoordeelaar, schroomde hij haar oordeel niet.
Eindelijk antwoordde Brecht na een langdurig stilzwijgen:
"Ik begrijp nu wel, Krijn, dat ge niet anders hebt kunnen handelen, maar! hoe schrikkelijk is het niet zulke tijden te beleven, die dergelijke broedermoord tot dagelijksch werk schier kunnen maken!"
"Broedermoord?" hernam Krijn. "Duc d'Alve's beulen komen hier den ouden godsdienst herstellen en ons de zaligheid, die wij niet willen, opdringen met galg en rad! Geene wreedheid valt er uit te denken, waarmede zij ons niet martelen, als wij in hunne handen vallen. Het zou er mooi uitzien, als wij in den strijd ons minstens aan Gods woord niet hielden, en gelden lieten: oog om oog en tand om tand!
"Zie, wat heb ik misdaan? Moest ik dan mijn vader ongewroken laten en den vijand van mijn land geen afbreuk doen, toen de kans mij tegenlachte. Zou een Spanjool de onzen sparen, ofschoon wij hunne have niet roofden en hun koning eeren, al zeggen wij naar Gods woord dat de Heer meer moet ontzien worden dan een aardsch monarch.
"Verdien ik daarom dat de overste Tambergen een duren eed zwoer, dat hij mij levend zou laten villen, zoo ik hem ooit in handen viel, en moet, ik, die toch nog eigenaar ben van veertig morgen land, al is mijn vee geroofd en mijn huis verbrand, niet sinds weken omzwerven als een wild dier en me ver van mijn woonoord houden?
"Nu, wat ook gebeure, Brecht! al voldeedt ge morgen aan mijn wensch en werdt gij mijne vrouw; zoolang nog n Spanjool den landzaat tiranniseert in zijne heiligste rechten, strijd ik mede om hem van hier te jagen.
"Niet enkelen mogen in vrede en gelukkig leven, zoolang niet allen het nog kunnen.
"En in 't lijden, n in den strijd!
"Al wordt ook Waterland van den vijand verlost, ik sluit me even als Jan bij de vrijbuiters aan en zal gaan waar de Prins ons roepen laat!"
Plotseling sprong Krijn hier op van de schabel, waarop hij gezeten was.
"Hoor! Wat is dat? Stormgelui?"
Ook Brecht stond op en luisterde aandachtig.
"Men klept de klok van den beschuittoren!" riep zij angstig uit.
"Dan valt de Spanjaard Wormer aan!" antwoordde Krijn. "Hebt ge geen geweer voor me? Thans zult ge wel niet meer twijfelen of Egge een verrader is. Hij heeft wis als iedereen wel een roer in huis en gij weet wel waar het staat. Geef het me, spoedig, en dan volg mij, Brecht!"
"Niet zonder de kinderen!"
"Wat gaan u die gebroedsels aan?"
"Ik bezweer u, niet zonder de kinderen!" hernam Brecht en aan hare onverzettelijkheid op dit punt viel niet te twijfelen.
"Nu dan, 't zij zoo!
"Zoo er ons tijd voor vergund wordt, zullen wij ze in 't dorp brengen.
"Draag gij het lontroer! Ik zal de kinderen dragen!"
Weinige oogenblikken later verlieten beiden Egge's woning.
Brecht droeg een zwaar musket met door Krijn vooraf aangestoken lont, terwijl Krijn op elken arm een slaapdronken jongen droeg, wier oogen de frisse nachtlucht evenwel spoedig opende, en die een enkel vleiend woord van de bekende verzorgster boven verwachting, tamelijk stil deed blijven.

V.
DE MISLUKTE VERRASSING.
Toen Jan Gerritsz de Zaan naderde en daarmede tevens het huis waar hij een onderkomen had gevonden, meende hij een ongewoon rumoer op te merken.
Tevergeefs trachtte hij met zijne oogen het donker van den nanacht te doorboren, hij kon aanvankelijk niets onderscheiden dan eenige flauw stralende en heen en weer bewogen lichtpunten, waarvan hij vermoedde dat het lantaarnen waren, die door menschen gedragen werden.
Voorzichtig sluipende, trachtte de weesjongen onopgemerkt nader te komen, wat hem gelukte.
De hoornachtige vliezen, die toenmaals in plaats van glazen dienden, om de voorwerpen te helpen samenstellen, die eene walmende smeerkaars tegen uitwaaien beschermen moesten en tevens vergunnen haar licht te laten schijnen, vermochten dit laatste alleen binnen zeer beperkte grenzen.
Nu kwam dit den jongen in zoo verre goed te stade, dat het hem vrij wat vergemakkelijkte ongezien zijne woning te naderen, voorzichtigheidshalve aan de achterzijde, die naar den waterkant lag.
Hij waagde het evenwel niet daar binnen te treden, maar luisterde met inspanning naar verscheidene door elkander sprekende stemmen, door zijn oor tegen den houten wand te drukken.
Duidelijk onderscheidde hij nu enkele woorden in vreemden tongval gesproken, toen hij in onverwachte nabijheid het bevel hoorde geven een paar fakkels te ontsteken.
Jan Gerritz zag nu op geringen afstand eene menigte krijgslieden op den Zaanoever staan en bemerkte dat er een paar in het water spartelden. Voorts zag hij de veerpont en ook een klein vaartuig vlug aanschieten op het licht der lantaarnen, terwijl het fakkellicht zich weerkaatste op 't blinkend geweer en de harnassen der soldaten, die de scheepkens vulden.
Jan Gerritsz wist thans met zekerheid, dat de Spanjolen een aanslag op Wormer kwamen doen.
Hij begreep dat die lantaarnen aan de vaartuigen den koers hadden moeten wijzen, en dat de aanvoerder de fakkels had laten ontsteken om verdere ongelukken bij de ontscheping te voorkomen.
De duisternis van den nacht, gevoegd bij den sterken mist, deden alevel weinig gevaar loopen dat zulks uit de verte mocht opgemerkt worden.
Jan Gerritsz besloot zich zonder wapenen te verwijderen, daar hij hoopte de goede zaak nuttiger te kunnen zijn dan door zich te laten gevangen nemen, zoo hem al niet erger wedervaren mocht, indien hij zich in de woning waagde.
Wel kende hij de strafbepaling van op half part gezet te worden, die eiken vrijbuiter bedreigde die zonder geweer uitging, maar behalve dat hij nog slechts voorloopig onder hen opgenomen was, meende hij dat de nood hier de wet moest breken.
Hij begreep toch dat de vijand al het mogelijke doen zou om een iegelijk terug te houden, die soms als kondschapper naar Wormer mocht willen ijlen.
In plaats van dan ook den weg te volgen, waar hij wel vermoedde, dat elk huisman, die door het rumoer ontwaakt naar buiten kwam, althans tijdelijk als vijand zou behandeld worden, begaf hij zich te water, zwom door een paar watergangen, en ijlde door het weiland op het hooge pad aan, om dit eerst op aanmerkelijken afstand van de Zaan te bereiken.
Hij vermoedde te recht, dat het achter hem bezet zou zijn tot het opvangen van vluchtelingen.
De berekening van den jongen was juist geweest, en het gelukte hem ongemoeid den toren te naderen.
De toren stond aan het Westeinde van Wormer, waar het dichter bebouwde gedeelte van het dorp eindigde, of, zoo men wil, nog alleen verder westwaarts voortgezet werd door enkele verspreid liggende hoeven als die van Egge.
Die toren stond reeds zelf op eenigen afstand van de naast liggende woningen, en werd ter onderscheiding van den grooten toren, die vier omgangen had en naast de kerk stond, doorgaans eenvoudig de toren genoemd, hoewel zijn deftiger naam beschuittoren was, ter aanduiding zijner bestemming.
Een der voornaamste bronnen van bestaan was namelijk vr drie eeuwen voor de Wormeraars het bakken van beschuit. Zooals toenmaals naar Holland en Zeeland, Friesland en Hamburg, werd deze beschuit ettelijke jaren n den tijd van ons verhaal zelfs naar Oost-Indi en Brazili verzonden, en de handel in dit artikel was zoo belangrijk, dat voor de regeling van het vertrek der ventschuiten en het tijdstip waarop de bakkers hun vuur moesten uitdooven, de fraaie beschuittoren was gebouwd.
Ten dien einde was in het van een omgang voorziene gebouw eene klok gehangen, waarmede al naar den aard der waarschuwing geluid of geklept kon worden.
Jan Gerritsz, die vermoeid en hijgende op de hoogte van den beschuittoren kwam, bij de door hem gemaakte haast om de Prinselijke bezetting en de Wormeraars te verwittigen van het dreigende gevaar, waardoor hij zelfs verzuimd had Egge's woning aan te doen om Krijn Pater en Brecht te waarschuwen, kwam op de gedachte, zijn voornemen zoo spoedig en doeltreffend mogelijk uit te voeren door behulp van de klok op den beschuittoren.
Hij vond evenwel de torendeur gesloten, wat de klokkenluider, die algemeen bekend was onder zijn bijnaam Geert Bombam, dikwijls verzuimde, maar thans tegen de aanstaande Pinksterdagen de moeite waard had geacht.
Met de troebele tijden en bij de nabijheid des vijands ging de nering toch zoo druk niet, dat n bakker gewenscht zou hebben het heilig Pinksterfeest te schenden door het vuur in den oven te steken, al hadden ook de gildemeesters met de kerkelijke en wereldlijke overheden het niet verboden, wel wetende dat zoo'n heiligschennis toch niemand ooit in den zin zou komen, 't zij Papist of Geus.
Daar herinnerde zich Jan Gerritsz de handbijl, die in zijn gordel stak.
Met eenige forsche slagen gelukte het hem het slot der torendeur te doen springen, en in het volgende oogenblik bengelde hij met zijne volle zwaarte aan de klokkereep en gelukte het hem de tonen van 't metaal door het luchtruim te doen weerklinken.
De gedachte aan brand of den vijand was de eerste die opkwam in het brein der verschrikt ontwakende huislieden, die dicht bij den toren woonden.
Haastig zich kleedende, ijlden sommigen hunner al spoedig gewapend naar den beschuittoren, en spoedden zich vervolgens naar het dorp, hetwelk enkele oogenblikken daarna geheel in beweging was gekomen.
Het gelukte nu aan Jan zijne taak van klokkeluider aan een paar stoutmoedige knapen over te dragen.
Aanvankelijk wilde Geert Bombam, die onderwijl ook was komen aanloopen, zich tegen het eigendunkelijk overdragen van 't hem wettig toekomend ambt verzetten, maar toen hij hoorde dat geen brand- maar een stormklok diende geklept te worden, nam hij in de aanmatiging genoegen.
Weer op het hooge pad gekomen, ontmoette Jan Gerritsz daar Krijn en Brecht, vluchtende op de wijze als wij ze Egge's hoeve zagen verlaten.
Het zien van het door zijne zuster gedragen lontroer bij de thans doorbrekende morgenschemering, deed hem op nieuw aan de noodzakelijkheid denken zich spoedig van wapenen te voorzien.
Toen Geert Bombam daarvan hoorde spreken, bood hij aan ze den vrijbuiter te zullen verschaffen, indien hij hem maar even naar zijne woning wilde volgen.
"Ik heb de klok voor je geluid, wou je me ook voor je laten vechten soms?" antwoordde Jan, die, hoe dankbaar hij overigens ook voor het aanbod zou geweest zijn, toch zijne verontwaardiging niet kon bedwingen bij de gedachte, dat een sterke kerel zich lafhartig terug zou trekken, waar hij gelegenheid vond de groote heilige zaak van dienst te zijn.
"Gij zijt nog een kwajongen in jaren, maar hebt getoond een Spanjool te staan als een vent! Daarom zal ik je dat woord vergeven," antwoordde Geert Bombam.
"Mijn zoon is, helaas, doodelijk ziek. Ik zou je vergund hebben je in zijne plaats aan mijne zijde te stellen en den Spanjool hier af te wachten."
"Vergeef me! Ik zal toonen dat ik berouw heb over mijne booze woorden. Geef me de wapenen van uw zoon, en ik zweer u dat geen Spanjool u of uw huis zal naderen dan over mijn lijk!
"Veranderdet ge daarom zoo snel van meening, toen ge vernaamt dat geen brand, maar de vijand me de klok deed trekken?" zei Jan Gerritsz, en hij drukte den man de hand, op eene wijze zoo trouwhartig, dat deze een traan in de oogen schoot.
"Wij zouden mijn zoon naar het dorp kunnen dragen, maar het zou zijn dood zijn.
"Mijn huis ligt daar aan den weg, de Spanjool zou er zich allicht in versterken of er den brand in steken!"
"Wij wachten hier den vijand af!" antwoordde Jan. "Krijn! ge helpt ons, niet waar? We laten Geert Bombam hier niet alleen!"
"Ik ben je man!" antwoordde klein Paterken.
"Brecht! Hier heb je Egge's gebroedsel, ik bemoei er mij verder niet mede!"
Dat die ruwe woorden niet al te letterlijk moesten opgevat worden kon Brecht vermoeden door den kus, dien hij op de kaken der knaapjes drukte, toen hij ze aan haar overgaf.
"Volg mij! Ik breng ze ten mijnent in veiligheid," zei nu Geert tot haar, en hij vervolgde tot Jan Gerritsz: "Zie eiken gewapende op te houden, die hier langs komt.
"Indien de Prinselijken niet vr dien tijd komen aanrukken, trachten wij dan tot hunne komst den vijand hier tegen te houden.
"Binnen vijf minuten hebt ge wapenen en kruit en lood en sla ik de prinsenmarsch op mijn trommel, als waarschuwing voor den Spanjool dat hij verwacht wordt, en als verzamelingssein voor de onzen!"
Toen Geert enkele minuten later terugkwam, volgde hem Brecht, die onderwijl de kinderen aan de vrouw van Geert had toevertrouwd.
Een groote trom verkondigde in verren omtrek, dat de Spanjaarden hier Geuzen zouden kunnen vinden, en in de morgenschemering ijlde menig gewapend huisman naar deze zijde.
Het scherpe oog van Jan Gerritsz had onderwijl in den watergang achter eene nabijliggende woning eene praamschuit ontdekt.
Eene gelukkige gedachte schoot door zijn brein.
"Vaart die praam naar hier en wij plaatsen haar dwars over den weg op zijde!"
"Heerlijk! Wij werpen eene verschansing op!" riepen meerdere stemmen, en na eene korte poos was het denkbeeld verwerkelijkt, en Jan Gerritsz, dien allen kenden door zijn vroeger, ook aan ons bekend gedrag, was stilzwijgend erkend als de leider der verdediging, zoolang geene officieren die taak kwamen overnemen.
Toen men eenige oogenblikken later de voorhoede der Spaansche legerbenden in de verhelderende ochtendschemering uit de verte op zag doemen, stemden allen eenparig in met het donderend hoezee! hetwelk door hem werd ingezet, en toen nu Geert Bombam aanving met vernieuwde kracht de prinsenmarsch te slaan, was het daarmede samenvloeiend lied zoo krachtig, dat de Spanjaard voor een oogenblik als verschrikt halt hield voor die opgewekte tonen op de wijze van het Wilhelmus.
Wilt zweert noch spiesse sparen;
Zo Babel heeft gedaen
Over Gods trou dienaren
Laet haer den loon ontfaen;
Den vooglen wilt maeltijt coken
Al van der hoeren vleijsch,
't Bloet sal worden gewroken
Nae der schrifturen eisch.

VI.
DE AANVAL.
Ware het tijdvak verwijderd genoeg, hoe zouden die moderne critici, wier lust het is om feiten waarop de aloude geschiedenis roem draagt, te ontzenuwen tot fabels, eene mythe te meer u aanwijzen kunnen in Hollands strijd tegen Spanje! zoo roept de pittigste onzer hedendaagsche auteurs in zijn Rijks Museum te Amsterdam, de heer Potgieter, met andere woorden uit. Helaas! dat de mond des rijk begaafden vaderlanders te vroeg en zoo onverwachts door den dood is verstomd!
"Het stoute, het groote, het reine schijnt voor de opvatting dier lieden het vermoeden van onwaarschijnlijkheid mee te brengen; "het edele vindt slechts genade als een droom, als een wensch der verbeelding; "hoe! de aanslibbe der Noordzee zoude uit de nevelen, waarin de onherbergzame plek gronds ligt gehuld, heiren hebben zien verrijzen, door helden aangevoerd? Heiren, in staat aan de keur der legerbenden van het strijdhaftige schiereiland het hoofd te bien? Helden, voor wie de grootste veldheer des tijds week?"
Toch is het aldus geschied wat hij in deze woorden schreef, en tevergeefs hebben ook in hetzelfde Noord-Holland, hetwelk van die onmogelijk gewaande wonderen eenvoudige feiten maakte, ontaarde Nederlanders getracht de meest grootsche bladzijden onzer geschiedenis te verminken, en het schrift, geschreven met het bloed dat voor de vrijheid werd gestort, te verflauwen.
De kracht tot groote en stoute daden werd juist door de verdrukking, de liefde voor vrijheid van geweten door tiranny des geestes, het edele der zelfverzaking door onmenschelijke zelfzucht gewerkt, ut lilium inter spinas: zooals eene lelie onder de doornen welig tieren kan.
Zoodra de stormklok werd geluid, of, waar die reeds tot geschut versmolten was, met een stuk hout op den koperen ketel alarm werd geslagen, gelijk dit bij onraad de gewoonte was, dan waren in stad noch dorp meer burgers te vinden. Dan waren de boeren en visschers in soldaten herschapen, dan deed het zeevolk dienst te land of de dorper deed dienst te water, al naar den eisch van het oogenblik, dan werden de knapen jongelingen en de jongelingen mannen, dan verlieten vrouwen en maagden het spinrokken en vuurden hare mannen en broeders aan door hunne gevaren te deelen en hun lafenis te bieden als hunne kracht bezweek, of door hunne wonden te verbinden, tenzij zij zelve mee gegrepen hadden naar de speer, of het slagzwaard bengelde aan de, ondanks heur forschen lichaamsbouw, voor deze bestemming toch licht te zwakke heupe.
Niet dan na menige nederlaag evenwel werd vaak de overwinning behaald, en het soldaten-stelsel luidde:
"Wanneer ge een boer pijnigt, dan zweet hij goud!"
Zoo werd hij dan gepijnigd tot stervens toe, gepijnigd aan zijn vleesch; in zijne have, die men roofde of verbrandde; aan zijne ziel, door het lot zijner vrouwen en kinderen, die men schoffeerde of half naakt aan den dijk joeg, zoo men ze niet mee om deed komen in de in brand gestoken woning.
Nu sloot hij zich bij de Geuzen aan, daar de reden vervallen was die hem tot dusverre had weerhouden, of, was de vlieboot te verre, dan besteeg hij de karveel des vrijbuiters, of wel, met het vuurroer hangende op den rug en het pistool aan den lijfriem naast den blanken houwer, had hij alleen nog maar den verrejager over den schouder te werpen om in het volgende oogenblik een landsoldaat te zijn, waar kade of ringdijk steun bood aan zijn voet.
Op laatstgenoemde wijze waren de meeste Wormeraars uitgerust, die zich op het hooge pad kwamen aansluiten bij Jan Gerritsz, en ook zijne uitrusting even als die waarvan klein Paterken zich had weten te voorzien was geene andere.
Het eenig onderscheid tusschen den gezeten huisman of burger en den vrijbuiter bestond hoofdzakelijk hierin, dat de laatste geene vaste woonplaats noch middel van bestaan meer kon aanwijzen, en hij alleen leefde van den buit in den oorlog behaald.
Niet zelden noopte hem dan ook gebrek om ontmoetingen met den vijand op te zoeken, ook wel bij minder gunstige kans op overwinning.
Alleen in het tegenovergestelde geval placht de eerste er aan deel te nemen, tenzij een aanval van de zijde des vijands hen tot verdediging dwong.
Dan was hij al evenmin als de vrijbuiter gewoon naar de overwinningskans te vragen, hij zou die dwingen hem gunstig te worden of sterven!
"'t Zal, meen ik, tijd worden die spekken eens eene andere waarschuwing te doen hooren dan ons gezang," merkte Jan Gerritsz op, en hij zag van onder zijn ruige karpoets de mannen van zeer verschillenden leeftijd, maar de jongste van wie hem in jaren overtrof, aan met een blik waaruit heldenvuur schitterde.
"Twaalf man zijn hier voldoende," vervolgde hij, toen het gezang voor ettelijke oogenblikken was verstomd. "Niet meer dan vijf of zes kunnen tegelijk ruimte vinden achter de praam om te schieten, en een zestal anderen, die geene roeren mochten hebben, zijn voldoende om hunne verrejagers gereed te houden en den vijand te weeren, zoo hij in de stormpas onze verschansing naderde, en om ons tot op dat oogenblik de roeren te helpen laden.
"Dat die hier meer komen zich in de naastbijliggende huizen nestelen om van ter zijde te vuren," zoo eindigde hij, en hij legde zijn lontroer door de opening, die hij in den overeind staanden bodem van het vaartuig had gehakt.
De weinige huizen die men op deze hoogte van Wormer vond, waren met eene enkele uitzondering als de woning van Egge, lage houten hutten, zonder schoorsteenen, alleen met luiken boven in het dak, die men, al naar de wind was, kon open of dicht trekken.
De oorspronkelijke hoeven waren allen verwoest bij de veelvuldige gevechten, waarvan de naaste omtrek van het dorp zoo dikwijls getuige was geweest.
Niet minder dan veertien honderd Spanjaarden kwamen op het oogenblik in geregelde orde optrekken van de Zaan.
Het klokgelui had hen gewaarschuwd dat zij op eene verrassing van den vijand niet mochten hopen, maar zij twijfelden daarom aan de overwinning niet. Zij kenden de zwakke bezetting van deze streek, en wisten hoe op denzelfden Pinksterdag, op maar weinige uren afstands, in Waterland insgelijks een inval door de hunnen plaats zou vinden, zoodat de Wormenaars ook van die zijde op geene hulp van 's Prinsen soldaten rekenen mochten.
De hopman, die mede in de voorhoede liep, zocht met zijne oogen naar het hem beschreven en niet moeielijk te herkennen huis van Egge, wetende wat daarin verborgen lag. Juist daardoor evenwel had hij nog niet opgemerkt hoe de versperring van den weg de beschikking over een stuk geschut dubbel wenschelijk zou maken.
Eenige soldaten droegen een paar zware balken, die bestemd waren om een soort van affuit daar te stellen, maar eer er aan de opstelling gedacht kon worden, bewees Jan Gerritz' schot hun de wenschelijkheid.
Een blauw rookwolkje verried nog de plaats waar het knetterend geweerschot was gevallen, toen deze wijze van begroeting den aanrukkenden vijand als onwillekeurig stand deed houden.
Nu bemerkte de Spaansche hopman de versperring, schier te gelijkertijd met het huis van Egge, waarvan hij nagenoeg nog half zoo ver verwijderd was.
De kogel van Jan Gerritsz was op te verren afstand door hem afgeschoten dan dat hij zelf veel uitwerking van zijn schot verwacht had, doch spoedig vielen ook een paar schoten uit het dak eener woning en een van deze doodde een Spaansch soldaat.
Dit maakte aan de beraadslagingen der Spanjaarden een einde; te meer daar de van het veer aanstroomende versterking nu de voorhoede bij den aanval ondersteunen kon.
De getalsterkte hunner tegenstanders was hun wel is waar onbekend, maar eene vermeerdering viel van deze eer te verwachten dan eene vermindering.
De Spaansche hopman liet dus in den stormpas verder rukken, om ten spoedigste het huis van Egge te bereiken, en eene menigte kogels werden op de versperring afgezonden, maar daarmede kwamen de aanvallers ook tevens onder het bereik van de lontroeren der verdedigers.
Wel gelukte het hun zonder belangrijke verliezen op de hoogte van het huis van Egge te komen en daarin door te dringen, om er uit te halen wat zij er vroeger in geborgen hadden, maar nauwelijks konden zij er aan denken met het laatste te beginnen, of zij werden aangevallen van eene geheel onverwachte zijde.
De vrijbuiter Pieter Claesz lag met zijn jacht tusschen de rietzudden, die het meertje de Poel begrensden, en zoodra had hij het gelui der beschuitklok in den stillen morgenstond over de kalme wateren niet hooren weergalmen, of zijne krijgsmakkers hadden het bevel gehoord:
"Mannen aan de riemen!"
De Poel bespoelde ook de Noordwaarts van het hooge pad gelegen velden van Egge.
Juist toen Claesz op die hoogte was gekomen, knalde het musketschot van Jan Gerritsz, en onder dezelfde stilte waarmede hij was komen aanroeien, onscheepte hij zijne bende, alleen eene scheepswacht van een paar man achterlatende, en besloot hij den vijand in de flank te bestoken, daar hij door het nu levendiger geweervuur en zijne bekendheid met het terrein de toedracht der zaak tamelijk juist bevroedde.
De kleine bende van Jan Gerritsz was onderwijl versterkt door een weifel van een der Staatsche vendels, die met achttien man was komen aanrukken, zonder het bevel van zijn dieper in het dorp gelegerden hopman daartoe te hebben afgewacht. De soldaten schoten zoo geregeld en snel, met hun zessen tegelijk en elkander afwisselende, dat ook de hoofdmacht des vijands wederom een oogenblik stand bleef houden.
Zoodra Pieter Clsz dit bemerkte, zette hij den reeds begonnen aanval op het huis, waarin hij eenige soldaten had zien verdwijnen, niet door, uit vrees van omsingeld te zullen worden, maar vergenoegde hij zich na eene korte schermutseling het in brand te steken, waarna hij terugtrok naar zijn jacht, om daarmede tot dichter bij Wormer te varen.

VII.
HET GEVECHT BIJ WORMER.
Klein Paterken had waarheid gesproken.
Het ging er vroolijk toe in den Gouden Os te Wormer, en hoewel de Pinksterdag reeds aangebroken was, ontbraken nog alle voorteekenen dat het drinkgelach spoedig eindigen zou, tenzij een graad van opgewondenheid, die nabij zijnde dronkenschap deed vreezen, als zoodanig gelden kon.
Toch kon het gezellige der gelagkamer noch tooi van ameublement het vertoef zoo aanlokkelijk maken, en een benauwende lucht stroomde uit de openstaande deur een iegelijk tegemoet, die de gezelschapszaal naderde.
Het gezelschap was zeer gemengd. Mocht ook al bij de Staatsche vendels, die door den Prins in soldij waren aangenomen, eenigermate de afstand gelden, die bij onze hedendaagsche krijgslieden tusschen de officieren en hunne minderen zoo strikt gehandhaafd pleegt te worden, bij de vrijbuiters was daarvan weinig te bespeuren, en wie hunner geld op zak had, liet zich de bierkan of den wijnkroes vullen, en schoof mede aan bij een der massieve, op hare gedraaide pooten door hare eigen zwaarte onwrikbaar vaststaande tafels. Ja, menigeen van hoogeren rang achtte het zijne eer niet krenkende, zich op kosten van eenen gemeenen vrijbuiter of door buit gezegenden rotman den beker te doen vullen, als de waard bezwaren maakte op den kerfstok nieuwe kepen toe te voegen.
Zoo was dan ook een luid hoezee opgegaan toen Egge, nu reeds lang geleden, zijne twee dubloenen op de tafel geworpen had, nadat de voormalige watergeus Tite Hettinga, die thans als hopman drie vendels soldaten kommandeerde, reeds tweemaal tevergeefs met zijn leegen kroes op de tafel geslagen en om wijn had geroepen.
De dikke Taak, wiens Friesche afkomst zijn naam reeds deed vermoeden, had daarna wel aan het bevel voldaan, doch eene poos later vrij wat gereeder aan dat van Egge, die hem eene stoop brandewijn liet schenken, om, zooals hij zeide, het koude bier en den koelen wijn onschadelijk te maken, en de onhebbelijkheid van Taak had de goede luim van hopman Tite blijvend verstoord. Ook had men kunnen opmerken dat de vrijbuiter-kapitein Goesingen zijne lippen niet aan de rondgaande brandewijnskan zette.
"Durft ge uwen voormaligen grietman eenen dronk weigeren, als een schooier?" had Tite uitgeroepen, met zijn vuist op de tafel slaande, zoodat de ijzeren kandelaars, waarop een paar ellendige smeerkaarsen walmden, trilden; terwijl de tweede, na den brandewijn norsch aan zijn buurman gereikt te hebben, met gefronst voorhoofd en nadenkend naar Egge zat te staren.
De waard had wijselijk gedaan alsof hij de vraag niet hoorde, de vrijbuiter Goesinnen echter had nu een fermen dronk van den parelenden wijn genomen en daarbij tevens den kroes van Hettinga gevuld en aan dezen toegeschoven, en Egge die ook voor den vrede scheen te zijn, stond ten slotte op, nu de algemeene opgewondenheid van voor een paar uren voortging zich te laten wachten, en het gezelschap zich geheel in klubjes scheen te zullen oplossen, waarvan de genoemde hoplieden er een uit maakten. Zijn breedgeranden hoed zwaaiende, begon Egge nu in te stemmen, terwijl meerderen hem terstond bijvielen:
Comt, al ghij Geuskens hier omtrent,
En laet ons singen pertinent
En met vreugt jubileeren;
Den prince van Orangin fier
Met blij accoort besingh ick hier.
Om vreugde te vermeeren:
Vrijheydt, vrijheydt sai met u zijn,
Ghj wordt verlost op dit termijn,
Den thienden penninck klachtig
Wil hij afkeeren nu ter tijt
End u bevrijden in dit krijt,
Van 's Coninck weghen machtich.
"A vous, mijn officier!" riep Egge nu, nadat het gezang geindigd was, en hij hief den beker op om hopman Hettinga, wiens kroes nog steeds onaangeroerd voor hem stond, een dronk te wijden.
"Wie zijt gij, brutale boeren-kinkel?" antwoordde de voormalige watergeus; "wat doet u de onbeschaamheid nemen een prinselijken hopman terecht te wijzen?"
Wij weten niet op welke wijze de ruig gebaarde Fries aan den Wormenschen huisman de aan dezen toegedachte les van bescheidenheid verder zou hebben toegediend, was op dit oogenblik het onraadsrumoer niet tot in den Gouden Os doorgedrongen, waarbij door de openstaande deuren duidelijk het snijdend gegil van enkele bengsten werd gehoord; "de Spekken komen! de Spekken komen!" hoewel niet dan vermengd met het kloeker: "te wapen! te wapen!"
Eene ontzettende verwarring volgde.
de vrijbuiters grepen hunne verrejagers en lontroeren, de officieren schikten hunne bandelieren recht en zochten hunne hoeden, maar niet zonder dat hier eene brandende smeerkaars van de ruwe, kruiselings over elkander gespijkerde en aan een balk hangende latten, die voor lichtkronen dienst deden, gestooten werd, en ginds kannen en kroezen met schabels en stoelen werden omvergeworpen.
Hopman Hettinga was over alles heen en tusschen allen door naar buiten gevlogen, om in het volgende oogenblik, in de deuropening staande, uit te roepen:
"Bedaardheid, mannen! De klok van den beschuittoren klept nog, wij weten dus waar wij elkander weder ontmoeten zullen, maar zij het in geregelde orde en niet als goed gewapend!" Reken op ons!" antwoordden de aanwezige officieren het eerst, en anderen met hen, en Hettinga ijlde naar zijn kwartier, waarvoor reeds een vaandrig zijn vaandel geplant had, als teeken ter vereeniging, en een menigte soldaten van alle kanten kwamen samenstroomen.
Met geschouderd geweer rukten zij, onder zijne aanvoering, spoedig naar het bedreigde punt, zoodra maar een vendel voltallig was, en hij gaf den vaandrig laat nog een oogenblik op de achterblijvers te wachten en hem dan zoo spoedig mogelijk te volgen.
"Mannen, houdt moed! Daar zijn ze al, die Wilhelmus blazen!" riep Jan Gerritsz uit, toen de tonen der trompetten, die van de zijde van Wormer naderden, gehoord werden.
Toen de Spanjaarden de hoeve van Egge met een paar nabijstaande hutten in vlammen zagen opgaan, spoedden zij, die zich daarin hadden willen nestelen, haastig naar den hoofdtroep terug, om op het Hooge pad bij de serpentijn het nu eenige vaste punt te deelen, 't welk hun bij den aanval wenschelijk werd door de onverwachte versperring.
Wel was de hoofdmacht reeds tegen de houten borstwering opgerukt, maar het vrij geregelde snelvuur der soldaten, nevens de kogels die hun uit een paar ter zijde liggende woningen tegemoet gezonden werden, had hen op nieuw doen aarzelen.
Wel dwong de aandrang der achterste gelederen de vooraangaanden aanvankelijk te blijven voorwaarts rukken, maar de knetterende schoten met de elkander snel opvolgende fluitende kogels, gingen al spoedig niet alleen de eerste gelederen teisteren, maar moesten meerdere gapingen door nieuw toestroomende manschappen aangevuld worden.
Thans, terwijl onzekerheid en schrik hun vuur verflauwen deed, bespeurde de vrijbuiter Claesz, bij het volle daglicht, de geheel onbeschermde, dicht saamgehoopte vijandelijke macht. Van plan veranderende, liet hij zijn vaartuig op nieuw stoppen en zijne beide scheepskartouwen kogel op kogel uit braken, die op den afstand van nauwelijks een musketschot moeielijk missen konden. Nu verdikten zich ook hij de versperring niet alleen de blauwe kruitwolken, maar bracht geschutvuur van eene andere zijde den Spanjool nog oneindig schrikbarender tijding, al bespeurde men het gevaar op dit punt vooralsnog niet anders dan door donderknallen.
Ten westen toch van het Wormermeer, dicht bij de Kalverschans, die op de smalle strook gronds was opgeworpen, tusschen genoemd meer en de Zaan gelegen, lag de kommandeur Joachim Cleynsorg met zijne galei.
Nauwelijks had hij onraad meenen te hooren, of, nog eer de rook der brandende huizen zijn vermoeden tot zekerheid maakte, roeide hij zijn vaartuig met spoed naar Wormerveer.
De tros der Spaansche legerbende was reeds bijna geheel de Zaan overgestoken, toen Cleynsorg de pont door een welgemikt kanonschot stremde op haar laatste overvaart, en met allen en alles wat er in geladen was in de golven van den Zaanstroom deed verdwijnen.
Dat kanonschot, weldra door anderen gevolgd, met het doel om het kleiner vaartuig insgelijks te vernielen of de achterhoede van de Spaansche legerafdeeling te bestoken, verwittigde den hoofdtroep, dat hij was ingesloten en er aan terugkeren over de Zaan niet te denken viel. De aanvoerder begreep dat Wormer genomen moest worden, of dat zijn geheele krijgsmacht zou verloren zijn.
Hij maakte zijne soldaten in weinige woorden met den stand der zaken bekend, en hoe zij overwinnen of sterven moesten.
Toen beval hij een aanval met alle macht, stelde zich zelf aan het hoofd der zijnen, die over het Hooge pad de versperring in het front zouden bestormen en liet aan eenige hoplieden den last overbrengen, hunne vendels op de lage velden te voeren en den aanval op de flanken te ondersteunen.
Het bloedroode Andrieskruis op de gele banen der vaandels schitterde in de vriendelijke stralen der morgenzon, die reeds begonnen was de nevelen weg te vagen en vernieuwing predikte op het feest der vernieuwing; maar zij straalde ook op meer dan n vendel, welks prinselijke kleuren zich fier vertoonden boven den rand der verschansing.
Hopman Hettinga voerde thans het bevel over wie zich onder deze vendels waren komen scharen. De weifel had hem medegedeeld, dat de vijand een kanon op den dijk gesleept had zonder er gebruik van te maken; naar Jan Gerritsz verzekerde omdat het vernageld was.
"Zoo zullen wij hun aanval afwachten, zij zitten toch in den val; anders zouden wij het hun hebben dienen te ontnemen:" antwoordde Hettinga.
De Spanjaarden kwamen nu in geregelde orde en in den stormpas aanrukken, maar vreeselijk was de slachting, die het musketvuur der soldaten onder hen aanrichtte.
Weliswaar hadden zij aanvankelijk ijverig teruggeschoten en waren enkele kogels door den bodem der praam heengeslagen, doch zij waren niet als mat onder de verdedigers aangekomen, en gevaarlijker dan de daardoor geschoten wonden waren die, welke aan sommigen door splinters waren toegebracht, als de kogels ze afschampten van het harde hout.
Toch telde men hier nog geen enkele doode, hoewel onder de ter zijde van den weg strijdenden reeds meer dan n Wormeraar of vrijbuiter doodelijk getroffen was.
Het gelukte aan enkele Spanjaarden de versperring te naderen. Het aandringen der achter hen opstuwende makkers liet geene vlucht toe dan zijwaarts uit, en die hiertoe overgingen bleven meestal in de sloten steken en werden gedood, doorgaans nog eer zij het vlakke veld bereikt hadden.
Maar mochten dan al enkelen tot de versperring naderen, 't was alleen om er een nu onfeilbaar wissen dood te vinden, en weldra lag daar voor de versperring eene tweede, opgeworpen van menschenlijken.
Nog hielden de Spanjaarden moed, beproefd in tal van oorlogen, onoverwinnelijk, als zij zich achtten, tegenover dat volk van kaasboeren; nog eenmaal stormen zij ten aanval.
Hun nog ongekwetste aanvoerder heeft de vaan gegrepen, die met den gesneuvelden vaandrig ter aarde neeg.
"Voor God en San Jago! Valt aan, volgt mij!" riep hij en hij beklimt den lijkenhoop. Een zwerm musketkogels beantwoordt zijn heldendaad en doet de vaan op nieuw zinken om thans niet weer te verrijzen.
Met den bevelhebber vallen allen, die hem het eerst gevolgd waren.
"Madre de Dio! help ons, sta ons tegen deze Geuzen bij!" riepen de naast volgenden, verschrikt terugwijkende, en nu eene onweerstaanbare verwarring brengende in de plaats der vorige orde.
"Vlucht! vlucht! de Satan is met de Geuzen!" riepen zij angstig gillend, en de minsten hunner verstonden de half smeekende bevelen der weinige overgebleven hoplieden, die wanhopig schreeuwden: "Wij verzamelen ons in de Kalverschans!"
Daarheen ging des ondanks de voornaamste stroom der vluchtelingen.
Als waanzinnig van angst wierpen de meesten hunne wapenen weg om des te sneller te kunnen loopen en onbelemmerd de handen te kunnen gebruiken, ten einde door de vele sloten en watergangen heen te plassen.
De schrik vergunde nauwelijks een enkele kwartier te vragen.
De meesten hadden ooren noch oogen voor iets anders dan den hun dreigenden dood door snelheid van vluchten te ontkomen, maar hij was sneller dan hunne voeten en kwam onhoorbaar en onzichtbaar tot velen hunner.
Aanvankelijk vervolgden de vrijbuiters en Wormeraars daar ook geen der vijanden, die op de velden gestreden hadden, meer stand hield de honderden vluchtelingen met hunne lontroeren in de hand en zonden hun hunne kogels na.
Spoedig evenwel had de hevigheid der vervolging hun bloed zoo wild ontstoken, dat zij zich voor het laden en aanleggen hunner roeren geen tijd meer gunden.
Zij wierpen deze dus aan de daarvoor dienende riemen naar achter, zoodat ze over hun rug kwamen te hangen, en knelden nu met de gespierde vuisten de verrejagers vast.
Vlug als de watersnippen, die, verstoord in hare droomerijen over aanstaande ouderweelde, door het victorie-jubelen en 't doodsgeschrei verdreven worden van het nest, diende de gepunte kloetstok hun nu eens om hen over de breedste watergangen te dragen, sneller dan zij gelijken afstand zouden hebben kunnen doorloopen, om in het volgende oogenblik dienst te doen als lans.
De weg der vluchtelingen werd door lijken en doodelijk gekwetsten hoe langer hoe duidelijker geteekend, naarmate de schans meer genaderd werd.
Eindelijk was deze bereikt, maar juist dat waarnaar de vluchtenden voor zich gehoopt hadden als een burcht der redding, zou hun slechts een grafkuil worden.
De vervolgers drongen te gelijk met hen achter de aarden wallen in de beperkte ruimte.
Nu flikkerden de daggen en knetterden de pistolen, en van den als eene kudde schapen opeengedrongen, zoo goed als weerloozen menschenhoop, bleef geen enkele over.
Het hijgen, door den door doodangst zoo versnelden loop gewekt, ging in doodsgereutel over, meestal zonder dat de ter dood toe afgematte, doorgaans in harnas geknelde soldenier, ook maar aan verdediging denken kon.
Het werk kon hiermede aan deze zijde van de Zaan voor geindigd gehouden worden, de enkele verspreide vluchtelingen gaven zich aan hunne luttele vervolgers om genade smeekende over, of werden afgemaakt door wie aan de Noordzijde van het Hooge pad hen achtervolgden.
De veroveraars van de Kalverschans evenwel voelden het hen bezielend vuur nog niet gebluscht. Het mocht dan al geen heilig Pinkstervuur zijn, de tale die van hunne lippen kwam, mocht al geene tale des Heiligen Geestes wezen, hun geweten had door de tiranny te veel ondervonden dan dat zij daaraan gedacht zouden hebben. Dat vuur onuitblusschelijk te maken door nieuwe brandstof aan gene zijde van de Zaan te zoeken, die tale der vervloeking, van haat en wraakzucht den Spekken in het oor te bijten, terwijl zij sidderend den genadestoot verbeidden, dat zou hunne Pinksterviering zijn, dat moest Jehova Zebaoth behagen, want die Spanjolen waren brengers van galg en rad voor wie Hem dienden naar het zuiver Evangelium en niet weten wilden van Babels geschandvlekte.
Dus staken zij de Zaan over, maar de weinige daar vertoevende Spanjaarden wachtten hen niet af. Zij vluchtten zoo haastig mogelijk naar Assendelft, waar eene sterke bezetting lag, en de verrejagers der vrijbuiters maakten maar weinig buit op de wilde jacht aan de westzijde van den Zaanstroom.
De vrijbuiters en Wormeraars trokken dus tegen den middag op hunne beurt over de Zaan terug.
Zij, die honderden verslagen hadden, werden ten getale van slechts acht en tachtig, door hunne medestrijders, soldaten, dorpelingen en vrijbuiters uit den omtrek, met luid gejubel ontvangen, en hoewel er Wormeraars waren wier vreugde niet onvermengd kon zijn, omdat zij geliefden, die vol moed en levenslust hunne woningen verlaten hadden, als lijken daar hadden zien binnendragen, zoo was hun aantal toch gering, en de meesten hunner troostten zich door de gedachte: Hij is voor de vrijheid, strijdende voor den triumf der gemeente Christi gestorven. Niemand twijfelde, of de geest die hem dreef wel een goede geest was, of de genade Gods hem wel zou doen bestaan in 't oordeel. Hij haatte immers des Heeren vijanden alleen uit liefde voor Zijn koninkrijk, en mochten zijne schulden voor den Heere ook al velen zijn, welk zondaar kon de zijne dan ooit uit zich zelv' betalen!
"Zijn siel, in 't eeuwich leven,
"Verwacht den jongsten dach."
Zoo sprak de vader of broeder den Prins na, en na een blik geworpen te hebben op het verstijfde lijk van zoon of vriend, ging hij zijne aandacht op nieuw der groote zake wijden, voor wier triumf elk ander belang thans zwijgen moest.
En wat de Wormeraar daar zag en hoorde op de straten van zijn dorp, was wel geschikt om hem in de hope te versterken dat het vergoten bloed der zijnen niet vruchteloos had gestroomd en veel druks had afgeweerd niet alleen, maar afgewenteld tevens.
De zware deuren van de deftige kruiskerk met de vier en twintig pilaren waren geopend en de menigte stroomde er henen onder luid victorie-zingen.
Toch vormden zij, voor wie die deuren in de eerste plaats geopend waren, geene feestelijk gestemde schare en noch de vreugde der victorie, die stemt tot aanheffing van het jubellied, noch die welke den christen op het Pinksterfeest den lofpsalm op de lippen legt tot Godes eer, deed hunne aangezichten glanzen.
Wat wonder! - De breede, in den frisschen zomerwind zoo sierlijk ontplooide banen der Prinsenvlag, die van den bovensten omgang des hoogen kerktorens wapperde, lachten hun niet vriendelijk tegen. Die geel-roode kleur was hun niet als het morgenlicht eens nieuwen dags, maar eer gelijk aan 't avondrood, waarachter het somber duister des nachts hun tegemoet gedragen werd, zooals 't Oranje boven hun sprak van beschimping en doodsbedreiging.
Het waren die driehonderd Spanjaarden, die elken weerstand opgegeven hebbende, het hopelooze inziende van zich door verdere vlucht te willen redden, hunne wapenen weggeworpen hadden, en in suffe moedeloosheid, onder smeekende gebaren den genadestoot of de gevangenschap knielende hadden afgewacht.
"Wij zijn geen schapenslachters!" hadden de vrijbuiters hun smalend toegesnauwd; "gij behoort den henker toe!" en de soldaten van den Prins hadden hen bij vier- en vijftallen aan een touw gekoppeld, en de Wormerkerk zou hun een kerker worden totdat de oversten over hun lot beslissen konden.
Viel dit tooneel ga te slaan op Wormers lange strate, eene blijmare, daar van mond tot mond gedragen en telkens vergroot door het verhaal, van onmogelijk geachte en toch ontwijfelbaar wisse voorvallen, streelde niet minder aangenaam het oor.
Op hetzelfde oogenblik dat Wormer was aangevallen, hadden de Spanjaarden op weinige uren afstands Purmerend trachten te verrassen. Hoewel eerst opgemerkt toen de voorwacht dezer stede reeds hunne lonten ruiken kon, was het hun bij den aanval wachtende musketvuur zoo geregeld en standvastig, dat de overste Tambergen met achterlating van een honderd dooden, haastig naar Ilpendam terugtrok, toen een onverwachte aanval van een met zijn roeijacht in de nabijheid liggenden vrijbuiterhopman hem met de zijnen tusschen twee vuren had gebracht.
Uit de donkere rietzoomen waren de kogels der Kennemerlanders hen tevens blijven bestoken en hun terugtocht was in een wilde vlucht ontaard.
"Elp mij uite Watrelande; ik sal jou kheef zoo khroote khelde!" zoo smeekten te vergeefs de angstig gejaagden, door de moeraslanden, waarover zij trachten te ontvluchten machteloos gemaakt; maar de Ilpendammers noch hunne helpers gaven kwartier.
Slechts een zevental der honderden Spanjaarden, die in hun geheel ten getale van derdehalf duizend in Waterland gevallen waren, ontvluchtten met den overste Tambergen.
Bijna alle overigen werden gedood. Ondertusschen bleef een dertigtal nog de schans te Ilpendam bezet houden.
De pastoor, hoewel der oude kerkleer trouw, toch der Spaansche tirannie vijandig, ijlde naar Monnikkendam om van daar hulpe in te roepen.
De strijdlust der Ilpendammers duldde evenwel geen vertraging voor de volvoering van het laatste deel der opgedrongen Pinkstertaak.
Met haken, bijlen en messen bestormden zij de bolwerken, als enterden zij een schip, en joegen de bezetting over de kling, eer nog die van Monnikendam aangekomen waren.
Teleurgesteld dat het werk alree verricht was, hingen de Monikkendammers dertig lijken aan eene galg, en de verbitterde Hoornschen, die een vierhonderdtal gevangenen binnen hunne stad gevoerd hadden verdronken een honderd en vijftigtal armzalige Duitschers, om, zooals zij zeiden, den Spanjaard te leeren, hoe het smaakte huisgehouden te zien op hunne wijze.
Reeds vr de Wormenaars en vrijbuiters zulks nog hoorden, hadden ook zij haastig eene galg opgericht en een offer voor hunne verbittering geischt, hoewel niet in een goeddeels onschuldigen gevangene. Toen zij het werk der mannen van Hoorn en Monnikendam vernamen, kon dit hun slechts in hun voornemen versterken.

VIII.
MANNENTROUW EN VROUWENLIEFDE.
Toen de Spanjaarden hun aanval op Wormer in eene wilde vlucht veranderen zagen, waren Jan Gerritz en Krijn Paterken onder de eersten geweest, die van het Hooge pad op de vlakke grasvelden overgesprongen waren om den strijd aldaar voort te zetten.
Slechts een kleine hoop vijanden trachtte aldaar den aftocht nog met eenige orde te bewerkstelligen, en had zich ten dien einde een tijdlang vast aaneengesloten gehouden.
Er waren ook eenige vrouwen onder hen, en de vluchtende soldaten trachten deze blijkbaar te beschermen door zich tusschen haar en de vervolgers in te houden.
Het kon hun weinig baten.
De nagezonden kogels drongen zoowel midden in den hoop door als zij de meest achteraan gaanden bereikten, en toen de vrijbuiters hen onder het bereik hunner verrejagers gebracht hadden, was de reeds zeer gedunde troep uiteengestoven.
Brecht stond ettelijke minuten later met Geert Bombam achter de woning van den laatste. Toen de vlucht des vijands algemeen geworden was, had deze aan zijn zoon gedacht, en had hij zich gehaast te onderzoeken, welken invloed het nabijzijnd krijgsrumoer op den kranke mocht uitgeoefend hebben.
Hij had hem bewusteloos maar stil gevonden, en zijne tegenwoordigheid niet bepaald noodig rekenende, had hij zijn verrejager weer opgenomen en zijn huis door de achterdeur verlaten. Brecht had de kinderen van Egge opgezocht, en ze in een hoek van het achterhuis verscholen gevonden. De knapen begonnen beiden luid te huilen toen zij hunne verzorgster wederzagen, iets wat hun angst tot dusverre had belet.
"Gij moet u stil houden;" vermaande de trouwe dienstbode.
De oudste trachtte de vermaning op te volgen en vroeg onder zijne tranen door: "Waar is mijn vader? Ik wil naar vader toe!"
"Ik heb hem straks nog gezien en zal hem gaan zoeken, maar houdt u dan ook stil, er is hier een zieke die volstrekt niet tegen zooveel leven kan!" antwoordde Brecht.
"Neen! ik wil naar vader; breng ons naar huis!" zoo voer de knaap voort en hij vervolgde: "Zij zouden vader een kanon brengen, en dan kan geen soldaat over het Hooge pad komen of hij wordt doodgeschoten, en vader zal ze ook doodschieten, die moeder vermoord hebben.
"Ik heb alles gehoord wat die mannen met vader gesproken hebben, maar gij waart er niet bij, en vader heeft ze met de jol weggebracht, en hij verbood mij dat ik er tegen iemand iets van vertellen zou als ik wat gehoord had, want dan moest ik ook dood, zei vader."
"Mijn God! jongen! en gij weet dat? Maar denk er dan aan wat gij uw vader beloofd hebt; als een ander dat hoort dan wordt uw vader onmiddellijk gedood."
"Maar de Spekken zijn immers niet hier!
"Baas Bombam vertelde aan de vrouw dat ze allen dood of aan den haal zijn, en Bombam zal immers vader geen kwaad doen!"
"Ik zal je dat later wel eens vertellen, gij kunt dat niet begrijpen, maar wat er ook gebeurt, zeg nooit dat ge iets gehoord hebt van een kanon, of dat vader de moordenaars van moeder wilde doodschieten.
"Uwe moeder is ook niet vermoord, maar bij ongeluk doodgeschoten.
"Gij moet dat alles maar vergeten, gij weet zeker ook niet eens wat een kanon is,"
"Nu, of ik!" antwroordde de knaap, blijkbaar in zijn trots gekrenkt; "op de schepen zijn er ook. 't ls een groot en dik roer; maar ik zal er tegen geen mensch van praten, als ik maar naar vader mag."
"Ik zal hem gaan zoeken! Maar als ge er van praat, dan ziet ge vader nooit weder, denk daaraan!" antwoordde Brecht, en zij liet de knapen in hun schuilhoek op den achtervloer alleen, terwijl zij Geert Bombam volgde, dien zij het huis had zien verlaten.
"Wat zij haas op spelen!" zeide Geert tot Brecht, die zich naast hem plaatste, terwijl hij, met zijn linkerhand den verrejager omklemmende, zijne rechter als een luifel boven zijne oogen uitgebreid hield om des te beter te kunnen zien.
"Ik geloof alevel niet dat een enkele het ontkomen zal! Kijk! daar op het achterste stuk van Egge wordt er weer een gespietst," vervolgde hij.
"Verschrikkelijk toch, zoo'n menschenjacht!" antwoordde Brecht. "Waarom roepen zij toch niet om gratie? Daar komen er gelukkig reeds terug, ziet ge wel Geert?"
"Ja," antwoordde deze, "een van die beiden is uw broeder, den ander ken ik niet, maar ik zag hem aan de zijde van Jan in het heetst van 't gevecht, kalm mikkende als schoot hij op eendvogels.
"Maar gij vergist u als gij meent dat zij terugkeeren. Ziet gij daar in de verte die beide vluchtelingen niet, zij trachten hun den pas af te snijden."
"Maar dat is lafhartig! Die eene vluchteling is eene vrouw, ik zal het beletten!" antwoordde Brecht, en zij ijlde zoo snel mogelijk het weiland in, terwijl Geert, zijn verrejager over den schouder werpende, haar volgde.
De kans om de vluchtende soldatenvrouw en haar geleider in te halen, scheen voor de beide vervolgers aanvankelijk niet groot te zijn.
De afstand, die hen van de vluchtelingen scheidde verminderde nauwelijks zichtbaar.
De vluchtende soldaat muntte blijkbaar niet alleen door vlugheid uit, maar ook door kracht.
De korte afstand toch tusschen hem en de, zijne schreden volgende vrouw, bleef steeds dezelfde, en Jan Gerritsz vermoedde juist, toen hij hijgende mededeelde aan Krijn, dat het hem toescheen als werd de vrouw half voortgetrokken.
De soldaat had een stuk lont ontwonden en het eene einde aan de vrouw ter hand gesteld, om haar bij hare doodelijke vermoeidheid hulp te bieden op de vlucht. Het andere einde had hij aan zijn gordel vastgebonden en zoo vorderden beiden tamelijk snel, ofschoon de vrouw half voortgesleurd moest worden.
Indien de soldaat de vrouw aan haar lot overgelaten had, zou er blijkbaar geene sprake hebben kunnen zijn van hem in te halen.
"Zij zullen zich vast loopen, als wij hen links doen wenden door zelven rechts aan te houden!" bracht Jan hijgende uit. "Zij komen dan voor het breewater!"
De list van Jan gelukte, maar Brecht had uit de verte zijn voornemen reeds begrepen en was in eene rechte lijn op de zijl toegeijld, die voor de vluchtelingen zou afgesneden worden.
Slechts enkele oogenblikken na haar broeder kwam zij op dit punt aan, en ijlde hem nu op zijne schreden na, waar hij, thans het water volgende, nu weer langs den kortsten weg op de vluchtelingen los ging.
Deze hadden het breewater reeds bereikt.
Zonder aarzelen ging de soldaat te water om naar den overkant te zwemmen, maar der vrouw begaf de moed en zij liet het lontkoord glippen, terwijl zij op den oever van het water nederzeeg.
"Red u!" smeekte hem de vrouw, "of we zijn beiden verloren!"
"Liever den dood dan het leven zonder u, met de schande u lafhartig verlaten te hebben in den nood!" antwoordde de moedige soldaat, en hij zwom naar de vrouw terug.
"Kunt gij het koord niet blijven vasthouden?" vroeg hij. "Houd u maar aan mijn gordel vast en ik zwem met u over!"
"lk kan niet, laat mij hier rustig sterven, maar red gij u!" antwoordde de vrouw met zachte stem.
"Dat nimmer! Dan mogen die Geuzen ons liever samen dooden," antwoordde de soldaat, en hij raapte een weggeworpen stuk lont op en bond het aan dat wat hij reeds had.
Nu bond hij het eene einde om het midden der vrouw en legde haar op den oever halverlijve in het diepe water.
"Als ik overgezwommen ben zal ik u door 't water naar den overkant halen!" zeide hij nu, en het scheen wel dat de korte rust de kracht der vrouw reeds eenigszins had doen bekomen.
Zij greep het koord met hare handen vast toen zij er aan voelde trekken, en toen Jan met Brecht, en kort na hen Krijn en Geert, ter plaatse kwamen waar de overtocht had plaats gegrepen, zagen zij aan de overzijde van het water, op slechts enkele schreden afstands, den soldaat verder ijlen, zijne vrouw in zijne armen dragende.
"Wat groote getrouwigheid van een ruw soldaat in zoo grooten nood!" riep Brecht bewonderend uit, en Geert Bombam, die aan zijn kranken zoon dacht, zeide: "Ja! de goddelijke zanger heeft wel terecht gezegd: De liefde is sterker dan de dood!"
Krijn en Jan evenwel, verhit door den bloedigen strijd en de vurige vervolging, grepen schier tegelijk naar hunne over den rug hangende roeren, vergetende dat dat des eenen ongeladen was en het andere bij het doorzwemmen van een watergang onbruikbaar was geworden.
"Hoe! Wat wildet gij? Het zou lafhartig wezen, ja aan verraad gelijk tegenover zooveel trouw!" merkte Brecht ernstig op.
"Ik bid u, laat hun 't leven!"
"Dat zij zich dan overgeven of ik spiets hen aan mijn verrejager!" antwoordde Krijn, en genoemd wapen als polsstok gebruikende, slingerde hij zich zoo ver mogelijk naar den anderen oever in het water en zwom naar den kant.
"Als gij mij ook maar half zoo lief hadt als die man zijne vrouw, zoudt gij niet zoo wreedaardig zijn kunnen nu ik u bid!" riep Brecht op bedroefden, maar verwijtenden toon.
Of de woede van Krijn door het koude bad mogelijk wat bekoeld was, genoeg, hij aarzelde, terwijl hij nu op den anderen oever staande Jan aankeek, als wenschte hij diens meening te leeren keeren.
"Jan heeft te veel liefde voor zijne zuster om onedelmoedig te zijn tegenover eene vrouw, en te veel moed om zoon'n enkelen spek meer of minder te vreezen!" vervolgde nu Brecht smalend, terwijl Jan bleef zwijgen.
"'t Zij dan!" antwoordde nu Krijn, terwijl een hooge blos zijn gelaat overtoog. "Wat eene vrouw vermag bleek mij dan heden wel op verschillende wijze," mompelde hij voor zichzelven, den kant naar de zijl opgaande om zich bij de overigen te voegen, zonder zich opnieuw te water te begeven.
"'t Is inderdaad wat fraais van ons, Jan!" zoo sprak hij eenige oogenblikken later den broeder van Brecht aan, naast wien hij zich gevoegd had, terwijl het viertal den terugweg naar Wormer aannam.
"Wij mochten ons wel eene miltsteking op den hals halen door zoo krijgertje te spelen en dan ten slotte zoo'n gevaarlijken knaap nog te laten loopen. Had hem je verrejager maar in de huid geslingerd. Je waart zoo goed als tegenover hem toen die vent dat wijf op zijne armen nam, en over dien watergang zoudt ge hem wel heen gedrild hebben als je bang waart voor een nat pak."
"'k Had met het wijf te doen en kreeg puur respect voor den kerel, dat hij haar zoo trouw bijstond," antwoordde Jan.
"Als ze ons niet beter kenden, zouden ze nog wel eens kunnen gaan denken dat we met den vijand heulden," antwoordde Krijn, nog steeds pruttelende.
"Wie weet hoe we straks weer voor die jongen van dien ellendigen verrader zullen moeten in de weer wezen, als we naar Brecht luisteren, in plaats van na zoo'n heerlijken feest morgen eens een prettigen dag te hebben!"
"Maak je niet. ongerust, Krijn!" zoo nam nu Brecht het antwoord voor haar broeder op, onderwij] zij tusschen hen beiden in ging loopen, daar zij tot dusverre achter hen gegaan had.
"Voor die kinderen van Egge zal ik wel zorgen totdat de vader zijn afgebrand huis weer opgetimmerd heeft. Mijne handen zijn den kost waard, en 't zal mij niet schaden al deel ik mijn brood eenige dagen lang met die arme, moederlooze knechtkens."
"Egge zijn huis weer opbouwen!" riep Krijn, van verwondering stil staande, en Jan Gerritsz keek niet minder ongeloovig zijne zuster aan.
"Maar gelooft ge dan werkelijk, dat die ellendeling zoo onbeschaamd zou wezen om hier ooit terug te durven komen?"
"Ik geloof niet dat hij nog weg geweest is. Nog geen uur geleden zag ik hem in het gewoel achter de vechtenden."
"Dan weet God alleen welke schurkenstreken hij toen beraamde, en hij heeft mogelijk vr dien tijd ook geen kans gezien om zonder gevaar te ontsnappen. Geloof mij! Hij is veel te slim en heeft zijn kop veel te lief, dan dat wij hem straks te Wormer zouden wedervinden!" merkte nu Jan op.
"God zij hem genadig, als 'k hem er vond! Zoo'n verrader moet aan de galg! 't Zou landsverraad zijn hem te sparen. Als 't aan hem gestaan had dan was Wormer thans in een moordveld en Geuzenkerkhof veranderd," zeide Krijn.
"En ik zeg u dat ge hem ginds vinden zult. Egge moge slecht zijn, hij heeft zijne kinderen lief, en hij zal hen niet weten te vinden, al weet hij dat zij niet verbrand zijn, hetgeen ik hem heb toegeroepen.
"Nu heeft de serpentijn geen schot gelost, en hij zal dus in den waan verkeeren dat die onder het puin zijner hoeve ligt, hoewel hij niet vermoeden kan dat Jan hem had gevonden en vernageld," antwoordde Brecht.
"Maar wij weten beter!" hernam Krijn; "meerderen dan wij hebben het kanon naar den dijk zien sleepen, en de oversten hebben het na de overwinning gevonden, dat spreekt van zelf, en zij zullen wel alles begrepen hebben.
"Egge werd toch al verdacht, en dat hij van nacht zoo lustig zat te fooien in den Gouden Os, daarvan zal hopman Goesinnen of Hettinga later de bedoeling wel zijn gaan vatten. 't Had weinig gescheeld of hij had hen allen dronken gemaakt.
"'t Zal niet noodig zijn dat wij den fielt laten hangen.
"Het eerste wat we in het dorp te zien krijgen zal wel het bungelende lijf van Egge wezen!"
"Arme kinderen!" zuchtte Brecht, onderwijl het drietal op nieuw verder ging. Geert Bombam had reeds zijn weg vervolgd.
"Arme kinderen! Maar zegt, jongens! als 't eens niet zoo is, dan zult ge immers den vader van die hulpelooze schapen niet laten vermoorden!"
"Maar moet hij dan morgen weer verraad plegen en de goede zaak als een Judas belagen zonder gevaar van ooit gestraft te zullen worden, omdat hij kinderen heeft en geene vrouw? Dien Spanjool mochten wij niet moeien omdat hij wl eene vrouw had en Egge weer niet, omdat hij er geen heeft," antwoordde Krijn Paterken.
"Brecht! Brecht! Meen niet dat klein Paterken ooit zoo klein zal worden dat hij, om aan de gril van eene vrouw te voldoen, de zaak der vrijheid zou verraden.
"Juist omdat ik je liefheb, dat nooit!
"Het moet u mogelijk zijn ook mij lief te krijgen, en daarom moet ge me niet kunnen verachten!"
Klein Paterken sprak de laatste woorden op zoo vasten toon en met eene ontroering in zijne stem, dat Brecht, die hem met hare groote oogen strak in het gelaat zag, zichtbaar vreezen ging dat zijn weerstand onoverwinbaar blijken zou.
Zij besloot daarom van taktiek te veranderen en antwoordde op heftigen toon:
"Alwel! Dring je zelf dan maar op, dat je geest van wraakzucht en bloeddorst een Heilige Geest is, den Heere welgevallig op zijn Pinksterfeest.
"lk voor mij vind dien van Egge even heilig.
"Hij werd misdadig, het is waar, maar hij werd het uit liefde voor zijne vrouw, van wie hij waant dat de Geuzen haar uit baldadigheid vermoord hebben.
"Indien gij beiden hem onderricht dat gij bekend zijt met zijn voorraad, zal hij van zelf gaan vluchten, en onder den vijand levende, zal hij het land geen schade meer kunnen aandoen, want gijlieden weet wel dat er geen krijgsman in hem steekt.
"Ik veracht hem, maar gijlieden haat hem.
"Ik wil zijn leven hem tot eene straf stellen; want 't zal hem eene zware straf zijn, zijn have en goed te moeten verlaten en met zijne kinderen arm rond te zwerven.
"Maar die straf kan hem beter maken; want hij heeft nog lief, er is nog iets goed in hem.
"Gij beiden wilt hem den dood doen tot straf!
"Gij zijt sterker dan ik, maar ik zweer u, dat ik eer den geschandvlekten Egge zal omhelzen op weg naar de galg, dan ooit uwe hand aanraken, als die bevlekt is door een moord, die de groote zaak in geen enkel opzicht dienen kan, en eene noodelooze wreedheid tegenover onschuldige kinders wezen zou."
Brecht was bij het uiten van deze woorden steeds nog meer opgewonden geworden.
Na ze gesproken te hebben, wierp ze nog een blik van diepe verontwaardiging op haar verloofde en haren broeder en ging toen, zonder antwoord af te wachten haastig op het huis van Geert af, hetwelk zij genaderd waren en waar Egge's kinderen nog vertoefden.
Klein Paterken en Jan Gerritsz volgden den stroom der terugkeerende strijders, die den vijand het langst vervolgd hadden en waarvan ook de laatsten Wormer begonnen binnen te trekken, onder het zingen hunner victorie-liederen.
"Ik hoop dat wij den schoelje maar niet ontmoeten mogen, en wou wel dat 'k hem reeds bij de Spekken over de Zaan wist!" zeide Krijn half fluisterende tot Jan, het Hooge pad naar Wormer opgaande. "Ze meende wat ze zei, geloof ik."
"Twijfel daaraan maar geen oogenblik!" antwoordde Jan; maar dat gezeur over dien vent heeft me nu al lang verveeld, laat hij voor mijn part zich zelf ophangen! Ik ben ook geen henkersjongen, en mijn toorn is veel bekoeld.
"In drift, ja! al moest ik er dan honderd den kop afhakken maar zoo goedsmoeds te zien henkeren, daar houd ik niet van.
"Als 'k den vent zie, dan zal 'k hem wel een woord in 't oor bijten, dat hem z verschrikt, dat hij aan den haal gaat en nooit terug durft komen!"
"Trek mij dan tegen dat oogenblik aan mijn wambuis," antwoordde Krijn, "dan kan ik me naar een anderen kant keeren, want 'k wou hem maar liefst nooit weer zien, en dan kan ik onderwijl aan Brecht gaan vertellen, dat hij haas op gaan spelen is en 't tusschen ons weer in orde brengen!"

IX.
EEN PINKSTEROFFER.
De Gouden Os was zoo mogelijk nog voller dan toen wij de ruime taveerne op den laten avond vr Pinksteren, of liever in den vroegen morgen van den feestdag, nu eenige uren geleden, verlieten.
De dikke herbergier was radeloos door de drukte en kon onmogelijk orde houden op het toedienen van wat de drooge kelen zijner gasten verlangden. Zonder eenige aarzeling bedienden deze zich dan ook zelven, en hadden ten dien einde meer dan n biervat uit den kelder gesjord.
Hoewel het te vreezen stond dat de niet wondergroote voorraad spoedig uitgeput zou zijn, zoo viel toch niet de minste zuinigheid bij het aftappen op te merken.
Menig vrijbuiter of soldaat bekommerde zich verder om niets, zoodra het hem maar gelukt was eene volle kan te bemachtigen, en niet alleen het bier, maar ook de wijn drenkte, tot groote ergernis van meer dan een drinklustigen krijger, de roode en blauwe estriken, waarmede de gelagkamer bevloerd was.
Taak begreep te goed dat hij bij de algemeene opgewondenheid tevergeefs tot bezadigdheid zou opwekken, dan dat hij hiertoe pogingen in het werk stelde.
Dies vergenoegde hij zich om althans dat gedeelte van zijn plicht als waard, dat betrekking had op de betaling, persoonlijk uit te voeren.
Ten dien einde had hij bij de buitendeur post gevat en eischte van elken binnenkomende een klinkend bewijs zijner bevoegdheid tot het bezoeken eener taveerne, waarin geen vrij gelag gegeven werd, en wederom van wie zijn huis verliet betaling voor hetgeen hij had kunnen genieten, al had mogelijk geen droppel zijn keel bevochtigd, daar alle vaten binnen enkele oogenblikken geledigd of niet genaakbaar waren.
Wel werd hij vrij wat vaker met vloeken en bedreigingen dan met dubloenen of caroliguldens betaald, doch ook menige schildengel gleed in den zak van zijn wijden broek; en van wie gelukkig geweest waren in het onderzoeken van de plunjes der verslagen Spanjolen en die de ongeregeldheden bejammerden, thans door hen aanschouwd, ontving hij soms wel een goudstuk, een keten of ander voorwerp van waarde, ter betaling, of als vergoeding van moedwillig veroorzaakte schade.
Wie men evenwel in den Gouden Os opmerkte, er waren slechts weinig officieren.
Deze waren te zamen in het naast de herberg gelegen rechthuis, waar zich tevens de schout en de beide burgemeesters der ambachtsheerlijkheid bevonden.
De blijde opgewondenheid over de glorievolle overwinning was hier niet minder groot dan in den Gouden Os, al waren de uitingen dan ook ietwat minder woest.
Zij steeg ook hier tot eene uitgelatenheid die zich in een herhaald hoerah ontlastte, toen de blijde tijding van de schier gelijktijdige overwinningen in Waterland bekend werd.
Dr, als hier op de grens van Kennemerland, had de vijand een aanval gedaan met groote overmacht, dr als hier was bijna niemand ontkomen aan den dood, tenzij door eene smadelijke gevangenschap, toen de Geuzen als zat van 't bloedvergieten waren geworden, en verdere strijd onmogelijk, omdat elke verdediging had opgehouden, en zij nog slechts enkele ongewapende, om genade smeekende Spanjaarden dooden konden.
Die gelijktijdige aanvallen deden de Wormeraars de geheele uitgebreidheid van het groote gevaar 't welk afgewend was, eerst recht overzien.
Met een vollen beker in de hand trad de hopman Hettinga naar buiten, om het volk de ontvangen tijdingen mee te deelen waarvan de geruchten, en zelfs bijzonderheden evenwel reeds onder de menigte begonnen verbreid te worden.
Eensklaps ontstond nu eene stilte, die, voldoende voor den hopman om verstaan te kunnen worden, zoo sterk afstak bij het geweldig rumoer van het voorafgaand oogenblik, dat zij de bezoekers van den Gouden Os verschrikte en hen, ijlings naar buiten stormende om de oorzaak te vernemen, den dikken Taak omver deed loopen. Zijn deurwachters- en ontvangerschap eindigde zoo vreemdsoortig, dat hij, eene poos later opstaande en kermende van pijnlijke aandoeningen op schier elke plaats van zijn lichaam, toch tevens dankbaar wezen mocht, dat hij althans niet doodgetrapt was door de over hem heen gedrongen menschenmassa. Oorverdoovend daarentegen, de krachtige stem van den forschen watergeus-vrijbuiter overstemmende, was het Oranje boven! en het vive le Geus! hetwelk op het "Ik drink op den Prins en het vaderland!" volgde, waarmede Hettinga zijne mededeeling besloot.
"Die eere had mij toegekomen!" fluisterde de voorzittende burgemeester zijn ambtgenoot in het oor, en toen Hettinga in hun midden was teruggekeerd, vroeg de burgemeester hem weinige oogenblikken later, wat hij voornemens was met de gevangenen aan te vangen.
"Onze soldaten zullen hen in de kerk bewaken, totdat de Prins of zijn gouverneur over hen beschikt!" antwoordde Hettinga.
"En zullen die van Wormer hen moeten te eten en te drinken geven, waar wij zoo verarmd zijn, dat wij de kloeke in- en opgezetenen, die zoo dapper streden, zelfs geen vat wijns of eene tonne biers in 't gelag kunnen geven?" vroeg de burgemeester wrevelig.
"Gij kunt toch niet wenschen dat zij allen gehenket werden!" antwoordde nu hopman Claesz, driftig wordende, in plaats van Hettinga.
"Gij vergeet dat er ook nog van de onzen bij den vijand gevangen zitten, die allicht tegen hen uitgewisseld konden worden," zeide nu Hettinga, op wel bedaarder toon, maar met eene gelaatskleur, die deed vermoeden dat ook hij niet erg gediend was met de gemaakte opmerking.
De vrijheidsoorlog toch had bijna geheel Noord-Holland en niet het minst Wormer herhaaldelijk tot inspanning en opoffering verplicht, die, met welke vaderlandsliefde ook gebracht, niet nagelaten hadden de landstreek schromelijk te verarmen.
Bij de behoeften der prinselijke vendels, die te Wormer in bezetting lagen, hadden de krijgsoversten daarbij meermalen een beroep moeten doen op de hulp der burgelijke overheden, vooral daar de soldij niet steeds even geregeld werd uitbetaald; en plunderde de vijand de burgerij waar hij slechts kon, de beschermers waren, willens of niet, ook niet zelden genoodzaakt op hare kosten te teeren.
Een en ander had de goede verstandhouding te Wormer tusschen de regeering en 's Prinsen krijgsoversten dikwijls tijdelijk verstoord, en bij den voorzittenden burgemeester tegenover den doortastenden Hettinga eene voortdurende wrevelachtige stemming gewekt. Gedurende het gevaar en den strijd hadden zij samen als broeders elkander gesteund en als kinderen van 't zelfde vaderland hun plicht gedaan; na de overwinning kwam de burgervader tot de ontdekking, dat de krijgsman, zonder hem te kennen, beschikkingen had getroffen die hij anders zeker zou goedgekeurd hebben, maar die hij thans bevond een te zwaren last op de schouders der burgerij te zullen leggen.
"Hebt gij het volk mogelijk opgezet om den dood der krijgsgevangenen te eischen, toen wij hen naar de kerk geleidden?" vroeg Claesz bits, toen de burgemeester zwijgen bleef.
"Ik noemde het woord henken niet;" antwoordde nu de burgemeester. "Ge hadt het geboefte elders kunnen opsluiten, dat zij niet ten onzen laste gekomen waren!"
"Indien ook ik een woord mag spreken," zoo viel nu de schout in, eer een der hoplieden den burgemeester had kunnen antwoordden; "zoo moet ik zeggen, bij de groote oorzake tot vreugde groote reden tot zorge te vinden!
"De menigte, die zich zoo dapper kweet, wil bezigheid, afleiding, stof tot nadenken of wat ook, wil iets te doen hebben.
"Nu is Gods huis ingenomen door de vrienden des Antichrists, zij 't ook tegen eigen wille; en op dezen hoogheiligen feestdag het volk door een sermoen te stichten, daarvan kan geene sprake zij."
"Maar het kan toch uwe bedoeling niet wezen hun nu de terdoodbrenging van eenige krijgsgevangen als eene vergoeding te schenken!" antwoordde een der hoplieden smalend.
"Geen onzer, die er aan denkt!" antwoordde de burgemeester nu in plaats van den schout; "maar dat ge de gevangenen naar elders voeren laat, bij voorbeeld naar Purmerend, dat zou ik wenschen.
"Als dan de soldaten, die niet als geleiders behoeven te dienen, naar hunne kwartieren gezonden werden, zou de bevolking van zelf wel tot rust komen.
"Tot mijne groote verwondering hoorde ik ook nog van den schout, dat een onzer opgezetenen door u gevangen genomen is en in het cachot van het rechthuis geworpen; maar de rechtspleging over ingezetenen behoort aan ons, even als het gebruik van dit gebouw.
"Ik vraag u de sleutels van den kerker en verzoek u ons te willen mededeelen, waarvan huisman Egge beschuldigd is!"
Driftig stond nu hopman Claesz ten antwoord op.
"Ik verdenk dien Egge van verraad," zeide hij.
"Het kanon hetwelk de Spanjolen op het hooge pad gesteld hadden, heeft men hen uit zijn huis zien halen. De krijgsraad heeft recht hem te verhooren en niemand anders.
"Ik heb hem laten gevangen nemen, toen ik zijne valsche tronie opmerkte onder de menigte en zijn vreemd gedrag vernam van gisteren avond!"
"Laten wij hem ondervragen in tegenwoordigheid van deze heeren," sprak nu Hettinga.
"Zij kunnen dan zelf beoordeelen of ons vonnis rechtvaardig is."
De burgemeester en schout schenen genoegen met dit voorstel te nemen, zoowel als hopman Claesz, en eene poos later werd Egge binnengeleid.
Intusschen had zich onder de buiten staande menigte het gerucht verspreid, dat de krijgsoversten en de burgemeesteren het oneens waren wat met de krijgsgevangenen zou aangevangen worden, en meerderen volgden de soldaten die Egge binnenleidden op den voet, en bleven voor de openstaande deuren der raadzaal staan, om getuigen te wezen van hetgeen geschieden zou.
Egge was hij zijne medeburgers verre van bemind, maar toch was het menigen Wormeraar onaangenaam, een bekenden buurman als een misdadiger te zien behandelen.
Allen hadden wel van een stuk geschut hooren spreken, maar niemand had er een schot uit hooren lossen en men begreep er niets van.
Aanvankelijk was geen mensch meer verwonderd geweest dan Egge zelf, dat de Spanjaarden geen gebruik gemaakt hadden van de serpentijn.
Toen hunne nederlaag in Wormer bekend was geworden, had hij zich onder de overwinnaars gemengd en de waarschijnlijke reden vernomen, hoewel het hem als ieder ander een raadsel bleef, wie het stuk toch mocht vernageld hebben.
Alleen de Spanjaarden konden daarvoor gelegenheid gehad hebben, voor zoo ver hij na kon gaan, maar de gedachte daaraan was al te ongerijmd.
Eindelijk was hij aan Jan Gerritsz gaan denken, en die gedachte had hem doen besluiten onmiddellijk de vlucht te nemen met zijne kinderen, van wie Brecht hem toegeroepen had dat zij hen niet had achtergelaten in zijne woning, toen de vijand, vroeger dan hij zelf verwacht had, den aanval was begonnen.
Hij had Brecht op eenigen afstand opgemerkt en gehoord wat zij hem toeriep, maar toen ook haar broeder in de nabijheid bespeurende, die hem kennelijk niet zag, had hij haar niet durven naderen en was hij besloten voorloopig alleen te vluchten, toen hij ongelukkigerwijze hopman Claesz tegen het lijf liep.
Zoo twijfelde Egge dan ook geen oogenblik of hij zou zijn doodvonnis hooren uitspreken, nu hij in het rechthuis gebracht werd, en bleek als een doode stond hij daar met geboeide handen, terwijl zijne knikkende knien nauwelijks vermochten hem te dragen.
Hopman Hettinga deelde hem mede waarvan hij beschuldigd werd.
"De vijand had wapenen in uw huis geborgen, die daar zonder uw weten niet zijn konden.
"Gij zijt een verrader en des doods schuldig!
"Wat hebt gij ter uwer verdediging op te merken? Spreek!" zoo eindigde hij.
Eindelijk gelukte het Egge, maar niet dan na herhaalde aanmaning om dan toch zijn misdrijf te bekennen, indien hij het niet ontkennen durfde, in groote verwarring te stamelen dat hij van niets wist.
"Hebt gij het kanon dan dus ook niet onbruikbaar gemaakt?" vroeg nu de schout, die altijd zeer bevriend niet Egge was geweest, omdat deze hem steeds ontzien en meermalen diensten bewezen had, ten einde in een goeden reuk te komen.
Al deed het den vaderlandslievenden schout evenwel onaangenaam aan, een bekenden medeburger te zien verdenken en zelf aan hem te moeten twijfelen, zoo was het zijne bedoeling met die vraag geenszins om hem een wenk te geven hoe hij zich redden kon, indien hij werkelijk schuldig was.
Toch had zijne vraag die uitwerking.
"Ik zweer u dat ik de beste bedoeling had," antwoordde Egge, na eene korte wijle nadenkens.
Hij had toch, ondanks zijn doodsangst, uit de vraag afgeleid, dat het raadselachtige der vernageling ook hier nog niet opgelost was, en was tot de gevolgtrekking gekomen dat hij zich of vergist had in zijn vermoeden, f dat Jan Gerritsz mogelijk bij de vervolging van den vijand omgekomen was of gekwetst.
Hij achtte zulks te meer waarschijnlijk, omdat hij den broeder van Brecht niet onder de aanwezigen opmerkte.
"Welke bedoeling hadt gij dan?" vroeg nu Hettinga.
"U van den verwachten aanval te onderrichten. 'k Ging daarom naar den Gouden Os. Ik had mij voorgedaan alsof ik spaanschgezind was, en zij geloofden en vertrouwden mij, omdat de vrijbuiters mijne vrouw doodschoten."
"Gij hebt dus het kanon vernageld?"
"Ik deed het uit voorzichtigheid, omdat ik het juiste tijdstip van den beraamden aanval niet kende toen ik mijn huis verliet."
"En straks zeidet gij, dat ge van niets wist!"
"Ik bedoelde wat den tijd van aanvallen betrof."
"Ik dacht dat zij niet vr den dageraad over de Zaan zouden trekken!"
"Gij beweert dus den vijand bedrogen te hebben en om achter zijne plannen te geraken er mee in betrekking gestaan te hebben, ten einde de groote zaak te dienen?"
"Ja! Welke bedoeling kon ik anders hebben?"
"Die van uw land te verraden! Gij werd reeds lang verdacht. Zoo hebt gij ook geweigerd den dapperen hopman Claesz te hulp te komen, toen een woedende stier hem op den grond geworpen had, en gij hebt beweerd dat hij uit baldadigheid op uwe vrouw zou hebben laten vuren, hoewel hij zelf u verzekerde dat zij voor een spie gehouden werd.
"Gij haat den hopman omdat hij u doorgrondt, evenals gij den moedigen jongeling haat, den broeder uwer dienstmaagd, wiens moed zelfs Sonoy hoog geroemd heeft, omdat gij vreest dat hij uwe schreden soms na mocht gaan!"
Egge antwoordde op de laatste beschuldigingen met geen enkel woord.
Hij had zijne aangeboren slimheid hervonden en vond in het aanvoeren van die bijzaken juist een bewijs, dat zijne eigenlijke misdaad onbewezen was.
Nu nam de oudste burgemeester het woord. Hij meende, dat door de verklaring van Egge het raadsel voldoende was opgelost.
Hij had geveinsd een glipper te zijn om den vijand in den val te lokken, en verdiende veeleer dank dan straf.
"Maar waarom dan van nacht nog blijven zwijgen toen alarm gemaakt werd?" vroeg Hettinga, waarna Egge ten antwoord sprak.
"De heeren zullen zich zelf de geduchte verwarring herinneren, die toen onmiddellijk ontstond.
"Ik vond geene gelegenheid, en wat had ik nog kunnen mededeelen?
"De aanval was toen bekend, want hij was begonnen, en om van de serpentijn te spreken in dat oogenblik, was overbodig; die was onbruikbaar, en 't zou den schijn van zelfverheffing en zucht naar lof gehad hebben, had ik daarvan in zulke oogenblikken gerept."
Met doordringende blikken had hopman Claesz den beschuldigde zitten aanzien gedurende het verhoor, en de verandering in zijne houding en den toon van spreken was hem niet ontgaan.
Hij hield zich vaster nog dan vroeger van zijne schuld overtuigd, maar begreep tevens dat genoegzame gronden van bewijs ontbraken.
Toen nu hopman Hettinga voorstelde om den aangeklaagde, tot een nader onderzoek had plaats gevonden, aan de bewaking van den schout over te geven, bemerkte hij aan de onwillekeurige gebaren van burgemeester en schout, hoe dit voorstel tegenspraak zou vinden.
Hij stelde dus voor den gevangene op vrije voeten te stellen, zich voornemende hem in het oog te houden en naar geldige bewijzen zijner schuld te zoeken.
Hettinga en de andere hoplieden keurden het voorstel goed, vooral omdat juist hopman Claesz zelf Egge gevangen genomen en beschuldigd had.
Een luid hoerah steeg op onder de aanwezige Wormeraars, toen hun medeburger in plaats van straf, dank verdiend bleek te hebben.
"Egge had het kanon vernageld!" riep de een;
"Egge heeft het alarm gemaakt!" verzekerde een ander, en een derde begreep zelfs, dat de dappere weiboer ten dien einde alleen onder den vijand moest doorgedrongen zijn, en deelde zulks als waarheid mede.
Egge werd op de schouders zijner medeburgers voor het rechthuis gedragen en aan het volk vertoond, dat luid hoerah! en leve Egge! riep, welk geroep nog luider werd, toen op hetzelfde oogenblik een menigte mannen de serpentijn, aan sterke touwen gebonden, in het dorp kwamen slepen en voor het rechthuis halt hielden.
Onder die mannen merkte men Jan Gerritsz en klein Paterken op.
"Het volk heeft zich al bezigheid weten te verschaffen, ziet slechts," zeide hopman Hettinga, den schout strak aanziende. "Het kan nu dien schranderen landman in triumf rond gaan dragen, 't heeft dan meteen eene vertooning, die afleiding geeft aan zijn door u vermeende bloeddorst.
"'t Zou evenwel wenschelijk zijn dat die lompe waard door u uitgenoodigd werd om op te houden met het volk op te ruien, tenzij gij in dit geval verkiezen mocht dat ik het doe; maar dat zou wel eens zijn kunnen op niet erg zachte wijze."
Hopman Hettinga, die met de andere officieren en de burgerlijke overheid ook vr het rechthuis getreden was, hoorde namelijk den dikken Taak luidkeels en bij herhaling boven het volksrumoer verschillende uitroepen slaken, in dezen geest.
"Thans zou er aanleiding wezen om de dappere soldaten en burgers een vroolijk gelag te bereiden, maar jawel! De overheid moet voor de Spekken zorgen, en mijn kelder is leeggeplunderd en men heeft me uit dankbaarheid half dood getrapt!"
Het volk evenwel luisterde maar weinig naar hem en zag zijne aandacht spoedig door iets anders afgeleid.
Door de woelende menigte toch drong eene vrouw henen met een knaapje op haar arm en een wat ouderen jongen aan de hand.
"Vader! vader! Daar is vader!" riep het op Brechts arm gezeten kind, en de oudere knaap riep luide:
"Ik wil bij vader wezen, waar is vader? Laat mij vader zien!"
Een buurman van Egge tilde nu den kleinen Gerrit op zijn schouder en wees hem zijn vader aan, meteen doordringende naar de plaats waar deze op de schouders zijner medeburgers nog steeds omhoog geheven werd.
De laatsten maakten evenwel spoedig een einde aan dit huldeblijk, hetwelk Egge zelf niet onaangenaam was.
Zij toch die het, kanonstuk naar het dorp gesleept hadden, riepen thans nog luider ter eere van Jan Gerritsz, dan de anderen een oogenblik vroeger voor Egge gedaan hadden: "Lang leve hij! Hij heeft het verraad ontdekt, Jan Gerritz heeft de serpentijn vernageld!"
Egge verbleekte en trachtte zich het oogenblik ten nutte te maken waarin de aandacht op Jan gevestigd was, om te verdwijnen.
Hopman Hettinga evenwel merkte het op en belette zulks.
"'t Is onmogelijk dat hier thans gerechtigheid zou geschieden, een van u beiden verdient die hulde niet!" zeide de hopman meesmuilend en Egge in den kraag van zijn wambuis grijpende.
"Wie heeft het plan van den vijand verhinderd?" vroeg nu hopman Claesz en hij gebood stilte.
"Kom nader en antwoord ons, Jan!" zoo vervolgde hij tot Jan Gerritsz.
Deze trad naderbij en Brecht, die zich naast hem gesteld had, fluisterde hem in 't oor:
"Om Godswil, Jan! red den vader dezer kinderen!"
"Wie heeft den verraderlijken aanval het eerst ontdekt, zijt gij dat niet, Jan?" vroeg Claesz.
"Ja kapitein!" antwoordde deze flink uit de borst.
"Hoe kwaamt gij te weten dat Egge verraad speelde? Gij hebt immers dat kanon onbruikbaar gemaakt? vervolgde Claesz.
Brecht trok haar broeder aan den arm, deze aarzelde met het geven van het antwoord.
"Ja! hij heeft het verraad ontdekt. Hij heeft alarm gemaakt! Hij heeft het kanon vernageld!" riep nu Geert Bombam, die met klein Paterken op korten afstand achter Brecht en haar broeder stond.
"Zwijg, bid ik u!" riep Brecht met smeekende gebaren, maar niet zonder dat de naastbijstaanden het hooren konden.
"Stilte!" riep nu Hettinga met zijn stentorstem, en Claesz vervolgde:
"Egge heeft zelf bekend dat hij met den vijand in betrekking stond, maar hij beweert, om hem in den val te lokken.
"Hebt gij het kanon vernageld dan is hij een verrader. Spreek! Wat kan hij met het kanon gewild hebben?"
Nog bleef Jan Gerritsz zwijgen.
"Om der wille zijner zuster, die bij Egge dient, wil hij den verrader sparen!" riep er nu een uit den hoop.
Hopman Claesz herhaalde zijne vraag en nu op zoo dreigenden toon en met een zoo woedenden blik op de dienstmaagd, dat Brechts knien knikten en zij van angst over haar geheele lichaam beefde.
"Vader wilde met dat groote roer de moordenaars van moeder doodschieten! Ik wil naar vader toe!" riep nu de kleine Gerrit, nog altijd op den schouder van den buurman gezeten.
"O mijn God!" riep Brecht nu uit: "Gerrit! gij weet niet wat gij zegt!"
"Gij hoort het, verrader!" sprak hopman Hettinga, Egge smadelijk van zich stootende.
"Burgemeesters van Wormer! hoe is thans uwe meening?" vervolgde hij toen.
"Genade, genade!" riep nu Egge, op zijne knien vallende.
"Aan de galg! Aan de galg!" schreeuwde het volk, en zij die hem enkele minuten vroeger op hunne schouders geheven hadden, bespuwden en schopten hem.
Brecht viel in zwijm.
Toen zij wederom tot zich zelve was gebracht, viel haar oog op een dwarshout, door een paar mikken van twee verschillende hoornen gedragen en waarover een koord geslingerd was.
"Mijn God! De kinderen! Wie zal van nu af aan voor de armen schapen zorgen? Waar zijn zij? Laten zij dat verschrikkelijk tooneel toch niet zien!" riep zij kermend uit.
Klein Paterken sloeg zijn arm om haar midden, en haar zacht wegvoerende uit den uitersten kring van den gerechtigheid oefenenden, maar woedenden volkshoop, zeide hij:
"Over die kinderen zult gij voortaan moeder zijn, Brecht! indien gij slechts wilt. Jan heeft ze reeds naar het huis van moei Aaf gebracht, en later gaan ze met ons naar Ilpendam!"
Tusschen hare snikken en tranen door, sprak Brecht toch nog: "lk dank u, Krijn!" en klein Paterken dacht, of wat hij thans gevoelde, niet het heiligst vonkje Pinkstervuur was dat in zijn binnenste gegloeid had gedurende den ganschen dag.